August zag eens peren hangen

Volgens literatuurhistorici schreef hij de eerste autobiografie ooit, in elke filosofiegeschiedenis geldt hij als een van de belangrijkste, zo niet dé belangrijkste filosoof van de laatantieke tijd, en door elke kenner van mystieke tradities wordt hij als een belangrijk mysticus erkend. En de kerk? Voor de kerk is hij een heilige, hoewel het canonisatieproces nog niet bestond toen hij stierf. Wie is deze grootheid? En waarom heeft hij het nodig gevonden ons uitgebreid op de hoogte te stellen van de peren die hij een keer in zijn jeugdjaren had gestolen?

Kanttekeningen bij Augustinus

We hebben het over Sint Augustinus, de rusteloze zoeker naar God, wiens woorden tot in de Dominicusgezangen zijn doorgedrongen – veel te laat heb ik U lief gekregen, schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw… Theologen worstelen wat met hem af, want hoewel hij de kerk in de nog prille jaren van het christendom overwegend de goede kant heeft opgeduwd, zijn er volgens een aantal theologen desalniettemin diverse onvolkomenheden in zijn inzichten aan te wijzen.

De laatste tijd ben ik de nodige kanttekeningen bij Augustinus tegengekomen, en degene die ik hier naar voren wil halen komt uit de bundel De nacht van de biechtvader van Tomáš Halík. Deze schrijft: “Bij het lezen van veel teksten waarin Augustinus het wezen van de ‘erfzonde’ aanduidt met het woord concupiscentia, ‘lust’, kan een psychologisch geschoolde lezer moeilijk aan de indruk ontkomen dat hier de persoonlijke problemen van de auteur, diens niet verwerkte dwangmatige neurotische houding tegenover seksualiteit en zijn eigen erotische verleden hun schaduw werpen.”

Tomáš Halík is een Tsjechische theoloog die ook een aantal jaren als psychotherapeut heeft gewerkt. Psychotherapeuten en biechtvaders weten dat het hart een moordkuil kan zijn en ook dat zeer intensieve heilservaringen nogal eens verward kunnen worden met filosofische en theologische inzichten. Oppassen geblazen dus bij dergelijke getroebleerde zielen!

Inderdaad heeft Augustinus er – zoals overigens heel wat andere heiligen – alvorens  bekeerd te worden er behoorlijk op los geleefd. Seks, drugs and rock & roll. Onverbeterlijk is zijn bede: ‘Heer, geef mij kuisheid en zelfbeheersing, maar nu nog niet!’ Maar over dat woord concupiscentia, dat Halík hier direct met ‘lust’ vertaald, valt wel wat meer te zeggen.

Augustinus aan het werk in zijn studeerkamer, frescoschildering van Sandro Botticelli uit 1480.

Concupiscentia

Meestal wordt het woord ‘concupiscentia’ als ‘begeerte’ vertaald, wat al minder bezwaarlijk klinkt als ‘lust’. ‘Begeerte’ is niet helemaal neutraal, zoals ‘verlangen’, maar kan ook iets goeds betreffen, zoals bij de wijsgeer, die aan wijsbegeerte doet.

Maar belangrijker is dat Augustinus zich niet puur en alleen beklaagt over seksuele lust of begeerte, maar dat hij drie probleemvelden markeert die hij aanduidt als 1) de begeerte van de ogen, 2) de begeerte van het vlees en 3) de hoogmoed van het leven – of in het Latijn: concupiscentia oculorum, concupiscentia carnis en superba vitae.

Mensen zijn nieuwsgierig en laten zich betoveren door alles wat maar aandacht trekt, roddel en achterklap, stompzinnige tv-programma’s, domme computerspelletjes – dat is de ‘begeerte van de ogen’. Het verzwakt je concentratie, het verstrooit je, het doet je de tijd in ledigheid doorbrengen. Dat is numero één.

Daarnaast hebben we de ‘begeerte van het vlees’, dat inderdaad het probleemveld is waar de seksualiteit onder valt. Maar ik zou het zeker breder nemen en ook denken aan vraatzucht, geldzucht, impulsieve woede en andere vormen van ongeleid-projectielen- gedrag.

Dan, als numéro 3, is er de ‘hoogmoed van het leven’. Daarbij gaat hem om de drang naar status en prestige, naar aandacht en bewondering van anderen. Een man of vrouw van de wereld menen te zijn, daarom bewonderd en geëerd willen worden. Farizeeën waren er goed in.

Perendiefstal

En dan nu de vraag: door welke van deze drie strevingen was de perendiefstal gemotiveerd? In een artikeltje van Jona Lendering op internet onder de titel ‘De perenboom van Augustinus’ vond ik de volgende tekst: “Wat ik echter vreemd vind, is dat Augustinus vele jaren na de gebeurtenissen, toen hij al midden veertig was, er nog steeds oprecht ontdaan door lijkt te zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit over de diefstal van sesamkoekjes op winkelcentrum Anklaar in Apeldoorn zal schrijven dat het schandelijk was, dat ik ervan hield, dat ik hield van ten gronde gaan, dat ik mijn ondergang beminde. Augustinus heeft voor zulk exuberant rouwbeklag genoeg aan een perelaar.”

Laten we een close reading oefening doen in het tweede hoofdstuk van Augustinus’ Belijdenissen waar je het perenverhaal kunt vinden. En laten we beginnen met de ‘begeerte van de ogen’. Verveelde Augustinus zich die middag toen hij met zijn vriendjes langs een boomgaard liep? Zochten zij misschien naar wat vermaak? Wat voor kattenkwaad zullen we eens uit gaan halen: fikkie steken, portemonneetje trekken of een paar peren jatten bij de buurman? Nou nee… dat was het niet.

Werd hij dan gekweld door een verschrikkelijke honger? Of een verschrikkelijke ‘lust’, om dat woord nog maar een keer te gebruiken? Had hij ontzettend veel zin in iets lekkers en kon hij zich niet bedwingen toen hij die prachtige grote peren daar aan die perenboom zag hangen? Dit is de kern van het bekende Nederlandse moralistische gedicht van Hieronimus van Alphen. Jantje zag eens pruimen hangen, als eieren zo groot. Mmm, lekker… hij kon zich bijna niet bedwingen.

Maar ook dat was niet het motief. Dus, waarom in godsnaam had Augustinus dan die peren gestolen? De enige van de drie probleemvelden die nog overgebleven is, is de superba vitae, en het is in die richting dat Augustinus, onverbiddelijke waarheidsvorser die hij is, naar het uiteindelijke antwoord zoekt: ‘Dit is wel zeker: op mijn eentje zou ik het niet gedaan hebben; dat weet ik nog wel van mijn toenmalige stemming: op mijn eentje zou ik het beslist niet gedaan hebben! Wat ik daar liefhad was dus ook de kameraadschap met degenen in wier gezelschap ik die diefstal bedreef.’

In plaats van meteen te roepen: het was niet mijn idee! zij, hullie daar, de anderen, die rotzakken om me heen hebben me op het foute spoor gezet! – probeert Augustinus te begrijpen waarom die kameraadschap voor hem op dat moment belangrijker was dan het overduidelijke morele besef dat je de peren aan een boom die niet van jou is er gewoon aan moet laten hangen. God help mij! – vraagt Augustinus, waarom heb ik het dan tóch gedaan? Welk genot dreef mij om dit te doen? Wat anders kon het zijn dan, zoals hij zegt, ‘de kameraadschap van mensen die samen zondigen’?

Rusteloos zoeken, zo inderdaad kun je Augustinus geworstel met de ware toedracht van zijn perendelict beschrijven. Hij tast en zoekt, hij denkt in een bepaalde richting, maar hij komt er niet helemaal uit. Op het eind vraagt hij aan God: ‘Wie ontwart dat vreemde gekronkelde, aller ingewikkeldste kluwen? Het is iets afzichtelijks: ik wil er niet naar kijken, ik wil het niet zien.’

Open zenuw

In zijn onverbiddelijke zelfonderzoek en zijn bereidheid de volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen raakt Augustinus in zijn bekentenis van de perendiefstal een open zenuw. Natuurlijk moeten we onze primaire driften onder controle krijgen, volwassen worden, een kinderlijk direct egoïsme achter ons laten – maar veel belangrijker is dat we leren omgaan met dit kronkelende, veelkoppige monster, dit aller ingewikkeldste kluwen.

Waarom leest iedereen hier steeds over heen? Over Augustinus niet te misverstane kritiek op hoe we de oren kunnen laten hangen naar het oordeel van anderen? Waartoe we allemaal niet bereid zijn om een wit voetje bij anderen te krijgen? Hoe zorgvuldig we kunnen zwijgen als we in een groep iets zien gebeuren waar we echt niet achter staan? Ja, waarom kijken we steeds naar die peren, en zien we het probleem van de sociale druk niet, het probleem waar het hier over gaat? Hoe ontkom je daaraan zonder hulp van boven, zonder genade?

Er is een ander kinderverhaal dat al iets verder gaat dan het stelen van een paar peren. In een autobiografisch geschrift vertelt Albert Schweitzer hoe een vriendje hem met een katapult leert omgaan, en hem later meeneemt om vogeltjes dood te schieten. Ook Schweitzer zegt dat hij dat helemaal niet wil, en dat hij toch meegaat omdat hij bang is uitgelachen te worden. Dan, op het kritische moment, beginnen de klokken van de kerk te luiden, gooit hij zijn katapult in de bosjes en ontkiemt in hem de leefregel: ‘Eerbied voor het leven’.

En dat was alleen nog maar een katapult. Er zijn nog meer verhalen, met dolken en bajonetten en waarbij de klokken te laat luiden of helemaal niet meer in het verhaal kunnen binnendringen. Waarom is het zo moeilijk op het rechte pad te blijven als mensen die een afslag nemen je gaan uitlachen of bespotten? Wie ontwart dat vreemde gekronkelde, aller ingewikkeldste kluwen?