Descartes en de naakte koning

1. De pompoenwaan bij Descartes

Net zoals in mijn voorbereidingen voor de COV&R conferentie van 2025 er een aantal spin-offs en voorbeschouwingen ontstonden die ik de moeite waard vond om op voorhand te publiceren, zo overvalt mij dit jaar hetzelfde nu ik aan het werken ben voor mijn presentatie op de vierde Too Mad To Be True conferentie in Gent in mei dit jaar. In die presentatie zal ik proberen spiritualiteit en filosofie met elkaar in verband te brengen op basis van het begrip ‘hypokeimenon’ of ‘dragende grond’. Wat het filosofische aanhaakpunt betreft, zal ik leunen op de analyses van Mark De Kesel, volgens wie een verschuiving van het hypokeimenon1, een denkgebeurtenis die samenvalt met het begin van de moderniteit, filosofisch gelokaliseerd kan worden in het denken van René Descartes. Nu ik Descartes zelf aan het lezen ben, komen diverse ideeën naar boven die ik vooralsnog parkeer om later verwerkt te kunnen worden. Maar één daarvan wil k hier toch al enigszins uitwerken en op deze website onder de aandacht brengen.

Daarbij wil ik ingaan op hoe René Descartes psychoses evoceert in zijn Meditaties. Psychoses, of breder, de psychopathologische geestesavonturen waarbij wanen optreden, maken een belangrijk, ja, essentieel onderdeel uit van de argumentatie waarin Descartes aanbeland bij het omslagpunt waarin de meest radicale twijfel transformeert tot een absolute zekerheid. Wanen, net als dromen en vergissingen bij zintuiglijke waarnemingen, figureren daarin als tegenbeeld – maar terwijl de dromen en vergissingen tussen haakjes kunnen worden gezet, moeten de wanen geheel uit het veld van consideratie worden uitgesloten. De wanen worden wel genoemd maar niet mee genomen in de argumentatie. Daarmee gaat het cogito van Descartes een relatie onderhouden met een zekere waanblindheid. De betreffende passage in de eerste meditatie is maar kort, en ik laat hem hier volgen:

Op grond waarvan zou ik kunnen ontkennen dat deze handen en dit hele lichaam van mij zijn? Hoogstens als ik mij zou vergelijken met de één of ander soort gekken, van wie de hersenen door een hardnekkige soort damp uit de zwarte gal zo zijn verzwakt, dat ze voortdurend beweren dat ze koningen zijn als ze heel arm zijn, of dat ze in purper gekleed zijn als ze naakt zijn, of een aarden kop hebben, of helemaal een pompoen zijn, of uit glas geblazen zijn. Dat soort mensen is echter krankzinnig en ik zou zelf niet minder dement lijken, als ik hen op één of andere manier mij ten voorbeeld stelde.2

Het is met name door toedoen van Michel Foucault dat deze passage veel aandacht heeft gekregen omdat het iets zegt over het uitsluitingskarakter waarmee men in het tijdsgewricht waaraan deze tekst ontspruit – de vroege moderniteit – de aan wanen lijdende medemens benaderde.3

Ik wil hier niet zozeer ingaan op dat uitsluitingsthema, hoewel dat onmiskenbaar in de tekst aanwezig is, maar op de wijze zelf waarop Descartes wanen beschrijft. Naast een verwijzing naar de zwarte gal – de melancholie uit de leer van de humores of lichaamssappen van Galenus – geeft hij een vijftal voorbeelden die niet allemaal hetzelfde karakter hebben en in twee groepen in te delen zijn. De eerste groep met de eerste twee voorbeelden kan ik vrij gemakkelijk matchen aan mijn eigen opvattingen over wanen zoals ik die in mijn eigen ervaringen heb gehad en die ik in De overtocht heb beschreven. Bij de tweede groep met de drie volgende wanen is dat een stuk lastiger.

In de eerste twee wanen is duidelijk een vorm te ontwaren van wat je megalomanie zou kunnen noemen. Iemand die arm is waant zich een koning en iemand die naakt is waant zich in purper gekleed, of met een koningsmantel omgeven. De twee eerste wanen zou je zelfs, in de mate waarin ze beiden naar het koningschap verwijzen, als twee uitingen van één enkele waan kunnen opvatten. Aan deze waan kunnen wij een streving ten grondslag vermoeden die niet alleen in zichzelf begrijpelijk is, maar die met iets correspondeert wat elke mens in zich heeft. In het denkkader dat ik hanteer en dat sterk geïnspireerd is door de mimetische theorie van René Girard, noem ik die streving ‘metafysische begeerte’.

Natuurlijk is de wijze waarop een innerlijke beleving correspondeert met de uiterlijke werkelijkheid van het allergrootste belang in de argumentatie van Descartes’ vertoog in de Meditaties, maar alleen in de eerste twee wanen is het duidelijk waarom mensen de scheidingswand tussen realiteit en beleving zouden willen afbreken of doen oplossen. Net zoals ik als ploeterende puber een groot wetenschapper wilde zijn, belichaamd door Albert Einstein, of een groot filosoof wilde zijn, belichaamd door, ja, door René Descartes himself, zo zullen er in de tijd van Descartes (en in onze tijd nog steeds natuurlijk) mensen zijn geweest die zich koning waanden. De door Girard geïnspireerde psychiater Jean-Michel Oughourlian heeft de sturing binnen wanen beschreven in zijn The Mimetic Brain en legt daarbij de nadruk op het feit dat de gestalten die zich als geschikte waanfiguren aandienen binnen een bepaalde culturele context een hoog prestige moeten genieten. In psychoses nemen mensen de begeertes over van de figuren die zij bewonderen, en gaan daarin zover dat zij met die figuren gaan samenvallen:

Maar waarom Napoleon of Caesar? Omdat, zoals duidelijk zal zijn, wanneer je de moeite neemt te beweren dat een verlangen van jou is, deze dan net zo goed uitzonderlijk en oogverblindend moet zijn. Je zult niet gaan beweren dat je het verlangen van een banaal iemand heb aangenomen. En zo produceren psychotische wanen Napoleons, de Gaulles, Christussen, en in bepaalde landen misschien Mohammeds , maar nooit staljongens of vuilnismannen.4

Oughourlian vervolgt zijn betoog met het verhaal van een bakker die zijn bakkerij de Graaf van Orléans had genoemd, en op die manier zijn overtuiging dat hij van de Bourbons afstamde en zelf de graaf van Orléans was in toom kon houden, ingekapseld kon laten. Ieder mens heeft van die ingekapselde verlangens, dat wil zeggen, de meeste wanen worden niet uitgeleefd maar gekoesterd in de verbeelding.

Ik denk dat Oughourlians benadering van megalomanie deze menselijk en invoelbaar maakt en dat het ons helpt de problematiek rondom dit verschijnsel over de hele breedte, van psychiatrische inrichtingen tot en met het Shakespeareaanse drama en de hedendaagse politiek, bespreekbaar te maken. We hebben hier niet met een ontregeling van de cognitie te maken, zoals Descartes meende, maar met een ontregeling van het verlangen.

Een dergelijk verhaal kun je echter niet vertellen over de andere drie wanen in de Meditaties van Descartes – de aarden kop, de pompoen, of de staat van uit glas geblazen te zijn. In eerste instantie, puttend uit mijn eigen herinneringen, waarvan de nodige in de tijd zijn verdwenen, kan ik deze drie wanen nauwelijks in verband brengen met wat ik in mijn psychose allemaal te ondergaan had. Het is mij niet duidelijk hoe een metafysische begeerte kan leiden tot de waan een pompoen te zijn.

De grote vraag wordt dan – waar haalt Descartes de laatste drie voorbeelden vandaan? Heeft hij toevallig een psychoot gekend die via occulte wegen bij een pompoenverlangen is uitgekomen? Die een idiosyncratisch systeem had waarin een pompoen een symbolische waarde kon vertegenwoordigen? Laten we een algemenere vraag stellen. Speelt een enigermate geïnformeerde kijk op de waanzinnige medemens in Descartes’ wijze van denken überhaupt een rol? – is er enige mate van zorgvuldigheid betracht bij het selecteren van de waanzinnigen die in zo’n belangrijk betoog als dat waarin het bestaan van God en de werkelijkheid moet worden bewezen als contrastfiguren moeten dienen?5 Of laat Descartes zijn fantasie de vrije loop, zich baserend op oppervlakkige observaties, volksverhalen en de literatuur uit zijn tijd?6

Laten we vaststellen dat Descartes geen enkele verantwoording aflegt waarom hij precies de wanen noemt die hij in zijn gewichtige tekst ten tonele voert. Misschien schudt hij de wanen zomaar uit zijn mouw. En laat ik er ook bij zeggen dat het verschil dat ik hier naar boven haal voor hem op geen enkele wijze van belang is. Waar het Descartes om te doen is, is dat in, wat wij tegenwoordig zijn gaan zien als de complexe innerlijke wereld van iemand in staat van psychose, evidente onwaarheden voorkomen, flagrante schendingen van elke waarheidsaanspraak die in een keten van geldige redeneringen waaruit hij zijn filosofie aan het opbouwen is als obstructies zouden fungeren. Het denkmodel van Descartes is een wiskundig model waarin uit axioma’s, met in eerste instantie het cogito als basisaxioma, hele ketens van heldere en duidelijke redeneringen worden opgebouwd. Dromen en diverse soorten misvattingen kunnen daarbij hun plaats toegewezen krijgen, en tijdelijk tussen haakjes worden gezet. De wanen, daarentegen, kunnen niet gesuspendeerd worden en dit verdoemt de wanen tot een ultieme betekenisloosheid. De waan is bij Descartes de Ander van de rationaliteit. Het is daarom dat de waanzinnige net zo goed een pompoen kan zijn als een koning.

2. De pruimentaartwaan bij Jung

De waan als de Ander van de rationaliteit is nog steeds op allerlei manieren bij ons. Er zijn talloze literaire verhalen waarin de raarste wanen voorkomen, bestaande uit cognitieve verwisselingen, corresponderend met de pompoenwaan bij Descartes. Nog steeds menen veel mensen dat de waanwereld van een psychoot uit dergelijke verwisselingen is opgebouwd. Veel mensen, inclusief veel psychiaters, menen dat er in de waan sprake is van een falend denkvermogen, dat er een paar schakels in het hersencircuit waarlangs de logische redeneringen lopen doorgebrand zijn, dat er een circuit in de menselijke CPU, de Central Processing Unit verstoord is waardoor de =- en de ≠-operatoren niet goed meer werken.

Ik heb daardoor de neiging om wanen die benaderd worden in hun gedaante van aperte onwaarheid als nepwanen te beschouwen, fake-delusions, die alleen maar bestaan in de verbeelding van mensen die stringent aan een rationeel reductionistisch wereldbeeld vasthouden. Op zich vind ik dit wel een mooi concept – de waanwaan – het verzinsel, de aperte onwaarheid, die met name rationalistische mensen in hun wazige spiegels zien, de terrifying tertium datur, waardoor deductieve bouwwerken als kaartenhuizen zouden instorten of waarmee de malin génie, de boze demon in Descartes’ meditaties, de werkelijkheid zou gaan bestieren. De waanwaan als de Ander van de rationaliteit creëert dan haar eigen spiegelwerkelijkheid, waarin mensen verdoold kunnen raken in een volkomen betekenisloosheid.

Echter, het gevaar van deze gedachte aan een onderscheid tussen echte wanen en nepwanen, tussen classified psychotic delusions en rationalistische verzinselwanen is weer dat je binnen de gekkenhuizen hiërarchieën gaat scheppen waarmee je je eigen wanen (wie kan er eigenlijk op tegen mijn Einstein-waan?) laat opglanzen jegens de misschien rommeligere wanen van anderen.

In ieder geval had ik het gevoel dat ik op mijn vingers werd getikt toen ik een tekst van Carl Gustav Jung tegenkwam waarin een reeks wanen wordt beschreven die sterk aan de opsomming van Descartes doet denken. Ik zal de opsomming van Jung hier weergeven, citerend uit de uit vraaggesprekken met Aniela Jaffé ontstane autobiografie, getiteld Herinneringen, Dromen, Gedachten.7 Dit boek is gepubliceerd in 1962, en het hoofdstuk waaruit ik citeer beschrijft Jungs activiteiten in de Bürghölzli kliniek in Zürich in het eerste decennium van de vorige eeuw.

In de passage die ik ga citeren heeft Jung het niet over wanen in het algemeen, maar gaat hij in op één specifieke patiënt, die hij ook bij name noemt. Babette S. heet ze en Jung introduceert haar als volgt:

De patiënte  was afkomstig uit het oude stadsgedeelte van Zürich, ze was ter wereld gekomen in één van de nauwe en vuile steegjes, waar ze in armoedige omstandigheden was opgegroeid. Haar zuster was prostituée, haar vader een drinker. Op haar negenendertigste manifesteerde zich bij haar een paranoïde vorm van dementia praecox, met de karakteristieke grootheidswaan. Toen ik haar leerde kennen was ze al twintig jaar in de inrichting. Honderden medische studenten kregen door haar een indruk van het angstaanjagend proces van de psychische ontbinding. Ze was één van de klassieke demonstratieobjecten van de kliniek. Babette was volslagen krankzinnig en zei dingen die je volstrekt niet kon begrijpen.8

Vervolgens laat Jung van deze Babette S. een zestal wanen volgen. Volledige nevenschikking zoals bij Descartes is er bij Jung niet. Maar toch is er wel een verschil tussen de eerste twee wanen, waarin je duidelijk een metafysische begeerte kunt ontwaren, en de andere wanen die ook als ‘zotte uitspraken’ worden beschreven:

Met veel moeite ondernam ik een poging om de inhoud van haar verwarde uitspraken te begrijpen. Ze zei bijvoorbeeld: ‘Ik ben de Loreley’, en dat deed ze, omdat de dokter wanneer hij een verklaring probeerde te geven altijd zei: ‘Ik weet niet wat het te betekenen heeft.’ (Ich weiss nicht, was soll es bedeuten). Of ze kwam met een klacht als: ‘Ik ben plaatsvervanger van Socrates’, wat – zoals ik ontdekte – moest betekenen: ‘Ik ben even onrechtvaardig beschuldigd als Socrates.’ Zotte uitspraken als : ‘Ik ben het dubbelpolytechnium, onvervangbaar’, ‘Ik ben een pruimentaart op maïsgriesbodem’, ‘Ik ben Germania en Helvetia van uitsluitend zoete boter’, ‘Napels en ik moeten de wereld van macaroni voorzien’, betekenen waardevermeerderingen; dat wil zeggen compensaties van een minderwaardigheidsgevoel.9

Voor de Lorely- en de Socrates-waan beschikt Jung over zekere clous, terwijl hij in de andere wanen, wanen waar hij eigenlijk helemaal niets van kan maken, een compensatie van minderwaardigheidsgevoelens leest.

Zoals bij Descartes alle wanen betekenisloos zijn en genegeerd kunnen worden, zo zoekt Jung naar verbindende gedachten of associaties om wanen betekenis te geven en veronderstelt hij bij wanen waar hij verder niets mee aankan, hoe curieus deze verder ook zijn, toch een onderliggende emotioneel significante stuwkracht. Waanzinnigen zijn ook ‘ergens’ mee bezig. Deze visie op de aan psychoses lijdende medemens zal veel lezers veel sympathieker voorkomen dan die van Descartes, en op een bepaalde manier is het soms net alsof je heden ten dage de stem van Jung in debatten over psychiatrie mee hoort galmen. Het hoofdstuk ‘Psychiatrische activiteiten’ waaruit ik geciteerd heb10 is een bijzonder verlichte tekst over psychiatrische zorg en de moeite van het herlezen waard, zeker in acht genomen dat ze al in 1961 is gepubliceerd en handelt over de eerste decennia van de 20ste eeuw. Ik beperk me hier tot de aanvangszinnen van dit hoofdstuk:

Vanuit het zogenaamde klinische standpunt dat toen heel gebruikelijk was, ging het de artsen niet om de geesteszieken als mensen, als individualiteit, maar men moest de patiënt nr. X met een lange lijst diagnoses en symptomen behandelen. Men gaf hem een ‘etiket’, bestempelde hem met een diagnose en daarmee was het geval grotendeels afgedaan. De psychologie van de geesteszieke speelde in het geheel geen rol.11

In zijn tijd al protesteert Jung om humane redenen tegen de diagnostische labels, of met een ouderwetser woord, ‘etiketten’, waarmee men zich in de psychiatrie van elke serieuze bevraging van de waan ontdoet.

De ‘compensatie van minderwaardigheidsgevoelens’ waar Jung over spreekt, resoneert vrij sterk met de ‘metafysische begeerte’ uit de denkwereld van René Girard. Ik denk daarom ook dat de verschillen tussen Jung en Girard niet op de spits gedreven moeten worden, zoals dat soms gebeurt wanneer het gaat over theologische vraagstukken, maar dat de overlap tussen beiden heel duidelijk in beeld moet worden gehouden.12 Desalniettemin is met deze interpretatiebereidwilligheid het raadsel van de pompoen, of in het geval Jung het raadsel van de pruimentaart, nog niet opgelost.

3. Kruiswegstaties

Het gevaar van spin-offs is dat ze zelf weer nieuwe gedachtenontwikkelingen creëren die je nog verder van  je oorspronkelijke werkzaamheden afhouden. Ik ben al wat langere tijd met deze notitie bezig en voel met namen het lokken van de Loreley-waan van Babette S., die met het gedicht van Heinrich Heine op de achtergrond tot prachtige bespiegelingen kan leiden. Ik zie het helemaal voor me, hoe een vrouw in een psychiatrisch ziekenhuis, omgeven door priemende, gefascineerde mannenblikken een fantasie kan ontwikkelen (die in een waan natuurlijk ook een zekere werkelijkheid wordt) waarin diezelfde gefascineerde mannen als stuurloze schippers op de rots van een mooie nimf met gouden haren te pletter slaan.

Maar ik zal me beperken tot de waan van de naakte koning die je in de eerste meditatie van Descartes duidelijk ziet doorschemeren en waarachter ik een Jezus-waan vermoed. Descartes schrijft dat hij iemand die naakt is en meent een koning te zijn zich niet ten voorbeeld wil stellen. Daarmee raakt hij, zoals hij zeker vanwege zijn gedegen jezuïtische opleiding zou moeten weten, een centraal thema uit de Evangeliën aan. Ik heb het hier over niets-zijn als nietswaardigheid, waarbij de verschillen worden bestierd door ‘de ogen van de wereld’ versus ‘de ogen van God’. Een tekst waarin deze twee manieren van naar mensen kijken tegenover elkaar wordt gezet vinden we in de 1ste Korintiërsbrief van Paulus, waaraan ik in De overtocht een heel hoofdstuk heb gewijd. De cruciale tekst staat in het eerste hoofdstuk van deze brief, 1 Korintiërs 1:24-28:

Maar wat in de ogen van de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om de sterken te beschamen; wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wel iets is teniet te doen.

Deze tekst wil ik graag laten contrasteren met een passage uit de derde meditatie:

Hoe vaak ik me echter ook op die dingen richt welke ik meen  zeer helder waar te nemen,  telkens wordt ik vanzelfsprekend door ze overtuigd, zodat ik spontaan in deze woorden losbarst: laat me maar bedriegen wie dat kan, nooit kan hij bewerken dat ik niets ben, zolang ik denk iets te zijn; evenmin dat later waar zou worden dat ik er nooit ben geweest, omdat nu waar is dat ik er ben.13

Het draaipunt in dit contrast is of het woord ‘niets’ sociaal-politiek of ontologisch moet worden begrepen. In de Bijbeltekst overlappen de categorieën elkaar, terwijl bij Descartes het ‘niets’ tot ontologie wordt gereduceerd. Dit alles bespreek ik uitgebreid in mijn hoofdstuk.

Hier zien we dus, hoewel in dezelfde derde meditatie het bestaan van God wordt bewezen, hoe Descartes aan het wegwijken is uit de meerduidigheden van de Bijbelse tekst en aanstuurt op een versmalde metafysica. Terwijl Jung overal godengestalten ziet, of het nu dromen, wanen, mythen, occulte of religieuze teksten zijn, belanden we bij Descartes in een kale wereld waarin godengestalten nergens meer zichtbaar kunnen worden, zelfs niet in het beeld van een naakte koning.

De naakte koning in de 10de kruiswegstatie van de Koepelkathedraal in Haarlem

Tijdens het schrijven van deze tekst was het beeld van de naakte koning sterk bij me. In de Goede Week dit jaar, inmiddels al weer een aantal weken geleden, ben ik in de Koepelkathedraal van Haarlem en de Dominicuskerk in Amsterdam naar de kruiswegstaties gaan kijken. Met name de 10de en 12de statie, ‘Jezus wordt van zijn kleren beroofd’ en ‘Jezus sterft aan het kruis’, met in de afbeelding van de laatste het bovenschrift I.N.R.I. met de R van Rex, Koning, brengen je het beeld van een naakte koning nabij. In onze christelijke cultuur is het een indringend en belangrijk beeld waarvan beeltenissen te vinden zijn in elke plaats waar maar een katholieke kerk staat.

Voor lezers die op een of andere manier door een stringent rationalisme zijn ingevangen is deze slotparagraaf met deze meditatie over een naakte koning een misschien wat vreemde of nodeloze associatie die geen enkele filosofische betekenis heeft. Anderen zullen er misschien een voorbeeld van een slechtbeheerste katholieke sentimentaliteit in lezen. Zoals ik in De overtocht heb beschreven ben ik nogal rigoureus uit het Cogito van Descartes weggevallen en ben er daarna eigenlijk nooit meer in geslaagd om daar tot in een duurzame houding toe terug te keren. Door een aantal teksten van Descartes – eigenlijk nu pas voor de eerste keer in mijn leven – aandachtig te lezen, kom ik dieper in aanraking met een waanblindheid waar ik in mijn persoonlijke leven, hoewel niet door geterroriseerd ben zoals sommigen dat wel zijn, direct hinder van heb ondervonden.

Waarschijnlijk volgen er nog meer excursies over Descartes, waarmee ik wil zeggen dat dit het punt is waarop ik deze spin-off nu echt moet afbreken.


1. 'Hypokeimenon' is een term die oorspronkelijk uit de filosofie van Aristoteles komt en verwijst naar het onderliggende, naar 'dat wat draagt'. De gangbare Latijnse vertaling van dit woord is ‘subiectum’. Een verschuiving van het hypokeimenon is te begrijpen als een zeer fundamentele filosofische gebeurtenis. Het woord dat we in onze tijd meestal gebruiken voor een verschuiving waarin de gehele zienswijze op de werkelijkheid opnieuw geordend wordt is ‘paradigmaverandering’.
2. René Descartes, Meditaties. Meppel/Amsterdam: Boom, 1996, p.40.
3. In de Nederlandse vertaling Geschiedenis van de waanzin, (Amsterdam: Boom, 2013) is gebruik gemaakt van een verkorte brontekst en komt de passage over Descartes niet voor. Foucaults bespreking van Descartes wordt kritisch bediscussieerd in het essay ‘Cogito and the History of Madness’ in Jacques Derrida, Writing and Difference, Londen: Routledge & Kegan Paul, 1997, p. 31-63.
4. Jean-Michel Oughourlian The Mimetic Brain. East Lansing: Michigan State University Press, 2016, p.106.
5. De ondertitel die Descartes aan zijn Meditaties heeft meegegeven is: Over de eerste filosofie waarin het bestaan van God en het onderscheid tussen menselijke ziel en lichaam wordt bewezen.
6. Over Descartes en Cervantes’ Don Quichote, zie Steven Nadler, ‘Descartes’s Demon and the Madness of Don Quixote’, Journal of the History of Ideas, University of Pennsylvania Press, Vol. 58, No. 1 (Jan., 1997), pp. 41-55. Daarin lezen we dat het niet zeker is of Descartes de roman van Cervantes gelezen heeft, maar bepaalde overeenkomsten blijven frappant.
7. Carl Gustav Jung, Herinneringen Dromen Gedachten. Rotterdam: Leminiscaat, 1992.
8. Ibid., p.115.
9. Ibid.
10. Ibid. 106 -130.
11. Ibid. p. 106.
12. Jung is een religieus denken die afstand heeft genomen van het christendom waarmee hij opgegroeid was (zijn vader was dominee). Lezend in een enorme hoeveelheid teksten - filosofisch, literair, religieus, occult - is hij tot een visie gekomen waarin compleetheid prevaleert boven goedheid. Dit uit zich onder andere in zijn verhouding tot de mythe van Faust. In haar oorspronkelijke Middeleeuwse variant wordt Faust, die een pact met de duivel aangaat, aan het eind van zijn leven in de hel gestort. Bij Goethe wordt Faust door de goddelijke genade gered. Na Goethe ontstaat een lezing van de Faust-mythe waarin Faust zelf het model wordt en hem de desastreuse gevolgen van zijn handelingen minder worden aangerekend. In Jung neemt dit de vorm aan van het 'integreren van de schaduw' dat kan leiden tot wat je spirituele soevereiniteit kunnen noemen.
13. Meditaties, p.55.