Hoogtepunten en dieptepunten

Nabeschouwing Dominicus-serie ‘Help, ik leef!’

Op maandagavond 15 februari nam ik in de Dominicuskerk deel aan het nagesprek over de laatste kerkdienst in de serie ‘Help, ik leef! Over kwetsbaarheid en veerkracht’. Deze nabesprekingen, waarvan ik de eerste en laatste had bijgewoond, volgden op iedere dienst in deze zesdelige serie, die een reeks was over psychisch lijden en werd gehouden in de eerste weken van 2026. Tijdens die laatste bijeenkomsten zeiden een aantal deelnemers dat ze het een bijzonder en waardevol samenzijn vonden, echt prachtige middagen en avonden en liet iemand zich ontvallen: ‘Een echt hoogtepunt was een paar weken geleden, maar dit vanavond hier was ook heel mooi.’

Dat heb ik nou weer, dacht ik, dan is er een serie mooie bijeenkomsten en dan mis ik net weer de belangrijkste. Dat is altijd het moeilijke als je dingen met elkaar gaat vergelijken – hoe goed je het ook bedoelt, je schept altijd een verschil en je brengt iets in het midden wat gemakkelijk afgunst kan aanwakkeren. Ik voel dit gevaar onmiddellijk als ik zelf iets over de hoogtepunten van deze serie wil zeggen, en ik voel het nog sterker als ik in wil gaan op de dieptepunten. Als een meedogenloze en gemelijke Ilja Pfeijffer zou ik de overwegingen van Arjan Broers, Karin Seijdell, Floortje Scheepers, Geeske Hovingh, Colet van der Ven en Leontien Dekker naast elkaar kunnen leggen, de zwakke momenten in de verhalen opsporen en met een snijdende pen en onverholen spot mijn opinies aan een lezend publiek kunnen prijsgeven. Het beeld van de twistappel van de god Eris komt bij me op – de god van de wedijver – waarop geschreven stond “voor de mooiste”, en waarmee een hele oorlog ontbrandde. Misschien een wat overspannen beeld, maar hoogte- en dieptepunten benoemen voelt als het verstoren van een bepaalde sfeer die ik ook koester, een sfeer van rustige aandacht voor elkaar die in haar rust en stilte zonder dat je je ervoor inspant naar jezelf terug kan keren. Wat blijft daar nog van over als ik me als een botte krantenrecensent ga gedragen en me ga buigen over vragen als – Wie had het beste verhaal? Wie sprak het mooiste? Welke dienst sprong eruit? En bij wie en op welke momenten kromde ik mijn tenen?

Niettemin is er een dieptepunt in deze serie waar ik een moment echt stil bij wil staan. Het was een echte touch-down die voorbijkwam in, hoe kan het ook anders, de dienst over depressie, die de naam had ‘Uit de diepte roep ik jou’. Het gebeurde tijdens het zingen van het tafelgebed, waarvoor het lied ‘Ken je mij’ was gekozen en waarvan de tekst was bewerkt. Het peilloze fragment was voor mij het moment waarop de regels gezongen werden:

Jij bent dieper stilte
dan de verstomdheid in mij
zo zelveloos in mij aanwezig

Hier werd ik echt stil van en op een bepaalde manier leken deze woorden een echo te zijn van de woorden die in de overweging van de eerste dienst hadden geklonken:

En heel voorzichtig en vrijwel altijd met ontroering noemden mensen ook de ervaring altijd ook gedragen te worden, zelfs in het duister, door wie of wat je God zou kunnen noemen.

Ja, de diepere diepten, dat wat onder mijn sprakeloosheid zit, dat wat ons draagt, wat is dat? Wat is onze dragende grond? Wat is onze diepere stilte? Zijn dit alleen maar bezwerende woorden, of is die dragende grond op een of andere manier ook een werkelijkheid? En dan denk ik dat het hierbij niet zozeer om geloofsartikelen gaat, maar eerder om ervaringsgebieden en de manier waarop ze op bepaalde momenten bereikbaar of onbereikbaar kunnen zijn.

De filosoof Marc De Kesel, heeft zich intensief met het vraagstuk van de dragende grond bezig gehouden en schrijft daarover onder andere in zijn boek Zelfloos: De mystieke afgrond van het moderne ik. De titel is veelzeggend – mensen die diep ingebed zijn in een traditioneel geloof kunnen in geval van een ernstige crisis soms door een dragende grond opgevangen worden, maar in de moderniteit, waarin die inbedding voor velen grotendeels is weggevallen lijkt ook de dragende grond geheel afwezig en is er onder het lijden van het ik helemaal niets meer, alleen maar een afgrond. Als je niet opgevangen kunt worden door een God die ons draagt kun je in een afgrond vallen, aan de rand waarvan de medische sector haar tenten heeft opgeslagen, en gaan lijden aan psychoses, depressies en wat er nog meer aan afgrondelijke ontregelingen mogelijk is.

Wat is dat dan voor grond die zich ook als afgrond kan manifesteren? De Kesel legt uit dat  Meister Eckhart het al had over ‘de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn’ en zelf voegt hij daaraan toe: ‘De grond is “een afgrond”. Ook de grond van het Ik.’ In de moderniteit verzink je niet in dat geheimzinnige ‘goddelijke zijn’ waar veel middeleeuwers nog toegang toe hadden, maar in een totale leegte, in een totale uitgevlaktheid, in een totale verstomdheid, in een dof niets, in een grijs dat alle kleur opzuigt, tot er alleen nog maar de herinnering aan kleur is. Niet het Niets waarover in mystieke tradities – vreemd genoeg voor sommigen – ook gejubeld kan worden, maar iets wat dichter staat bij platte niksigheid. Ik heb iemand die te lijden had van zware depressies weleens horen zeggen: ‘Dan val ik weer in zo’n kutnirwana’. Het is het niets van alleen-maar-wanhoop, alleen-maar-tekort-hebben, als van een junk die zonder drugs zit, of met de woorden van Jules Deelder in zijn Blues on Tuesday:

Geen geld.
Geen vuur.
Geen speed.

Geen krant.
Geen wonder.
Geen weed.

Geen brood.
Geen tijd.
Geen weet.

Geen klote.
Geen donder.
Geen reet.

*****

Uitzichtloosheid en verstomdheid zijn onderwerpen waaraan ik, in de stukken die ik op deze website schrijf, steeds relatief weinig aandacht besteed. Psychiatrisch gesproken val ik in het bipolaire spectrum en heb ik het vooral te stellen gehad met mijn hoogtepunten (dus wat dat betreft is het niet zo heel erg als ik een keer een hoogtepunt misloop). Ik ben beter in door mijn dak gaan dan in door de bodem zakken, ik ben vaker te licht dan te zwaar, maar ik ken het allebei. Het laatste deel van mijn boek De overtocht gaat over neerwaartse bewegingen, maar afdalingen hebben voor mij in eerste instantie te maken met het vinden van een veilig heenkomen na een roekeloze hemelvaart.

Het is een beetje vreemd om over hoogtepunten en dieptepunten te schrijven als die hoogtepunten en dieptepunten zelf een onderdeel van het probleem zijn. Het  is dan net alsof de taal om zichzelf heen krult, en je heen en weer geslingerd wordt tussen een teveel aan betekenis en een te weinig aan betekenis. Stiltes zijn al moeilijk om te beschrijven, en dat gaat nog meer op voor de verstomdheid van langere depressieve periodes. De vraag wordt dan, hoe kun je het dan in godsnaam nog hebben over het verschil tussen deze twee? En toch is dit verschil belangrijk, toch komt soms de deur van de verstomdheid op een kier te staan naar de stilte van het gebed. Wij moeten daarom blijven vragen, wij moeten daarvoor blijven bidden, ook al kun je niet zomaar van het ene ervaringsgebied naar het andere ervaringsgebied overgaan.

Uiteindelijk is het niet zo dat de Bijbel het boek is waar een solide dragende grond als een dikke betonlaag onder alle menselijke wederwaardigheden ligt. Ook in die heel oude teksten kan de kloof al ontwaard worden die onder veel moderne levens gaapt. Verstomdheid is van alle tijden, en in de psalmen horen we over de pijn van de ervaring van godsafwezigheid, van een God die zich van mij afkeert. De meest ontroostbare psalm is misschien wel psalm 88 waarnaar het lied ‘Jou gezocht bij dag’ is geschreven en dat we in die onvergetelijke dieptedienst ook samen hebben gezongen. Het is met een vers uit dat lied dat ik wil eindigen.

Plant nieuw hart in mij
Geef mijn mond een stem,
Mijn schim een lichaam,
Dood is dood. Doofstom.
Daar weet niemand iets,
Doorgestreepte naam.
Keer je hart tot mij.

*****

Hier had ik eigenlijk willen eindigen, maar ik wil toch nog een tweetal voetnoten toevoegen aan hetgeen ik geschreven heb.

In deze nabespreking heb ik een stap terug proberen te doen uit mijn kritische zelf en daarvoor Ilja Pfeijffer als tegenbeeld genomen. Maar evenzogoed had ik kunnen verwijzen naar al die Willem Frederik Hermansen, Jan Blokkers en Hugo Brandts Corstiussen die mij gevormd hebben en die ik, zonder het te beseffen, geïnternaliseerd heb toen ik in mijn jonge jaren al die kranten en tijdschriften las zonder dat er tegenwicht geboden werd door andere, laten we zeggen meer Bijbelse teksten. Ik zal niet zeggen dat het goed is om onkritisch te zijn, maar wel dat het goed is als je niet met je kritische zelf samenvalt, en je de mogelijkheid hebt dit korzelige, kille, vaak deprimerende ervaringsgebied te verlaten. Goede samenkomsten kunnen daar heel goed bij helpen en ik zie de eucharistie als een van de rituelen die voor tegenwicht zorgen en helpen deze move te maken.

De tweede voetnoot die ik wil maken is dat ik, hoewel ik de uitzichtloosheid van depressies wel ken, niet kan spreken over langdurige, permanent-lijkende depressies die buiten het bipolaire spectrum vallen. De grootste afdaling die ik in De overtocht beschrijf gaat niet over depressies uit mijn eigen verleden maar over het levensverhaal, met name de tweede levenshelft, van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin. In een toren aan de Neckar heeft Hölderlin nog 36 jaar geleefd in een staat die volgens de officiële geschiedschrijving die van een schizofreen is, die volgens anderen die van een mysticus is, en die volgens mij niet echt onder een psychiatrisch label onder te brengen is maar wel het nodige gemeen heeft met het ondergaan van een reusachtige depressie – ‘alsof bij hem het rad van de bipolaire wentelingen aan de depressieve onderkant tot stilstand was gekomen’. Hölderlins staat zou je een staat van verstomdheid kunnen noemen, een dichter die alleen nog maar korte verzen schrijft over een wanhoop-als-alleen-maar-wanhoop, waarin af en toe een kier van licht door de duisternis heen mag schijnen. De volledige tekst van mijn Hölderlin-hoofdstuk kun je hier downloaden. Ik wil – en nu dan echt – eindigen met een van de torengedichten van Hölderlin.

Das Angenehme dieser Welt hab ich genossen,
Die Jugendstunden sind, wie lang! wie lang! verflossen,
April und Mai und Julius sind ferne,
Ich bin nichts mehr, ich lebe nicht mehr gerne!

Het aangename dezer wereld is genoten.
De jaren van de jeugd zijn, ach hoe lang! vervloten.
April, mei, juli – waar zijn zij gebleven?
Ik ben niets meer. Ik wil niet graag meer leven.

De diensten van de serie ‘Help, ik leef! Over kwetsbaarheid en veerkracht’ zijn terug te vinden op de website van de Dominicuskerk.