Iedereen heeft wel iets

(2026 week 3)

Een van mijn tantes uit het grote gezin van mijn moeder was bedlegerig. Ze had iets met haar maag. Het was een hele hartelijke vrouw en als kind ging ik altijd graag met mijn moeder mee bij haar op bezoek. Eens in de paar jaar ging ze naar het academisch Ziekenhuis in Utrecht, eens in de paar jaar ging ze naar Lourdes, maar genezen deed ze niet. Haar man, mijn oom, ging ook mee naar Lourdes, als begeleider en later misschien voor zichzelf, want op een gegeven moment kreeg hij iets aan zijn hart. In de wijk waar ze woonden hielden ze geldinzamelingen om voor anderen een Lourdesreis te bekostigen. Ik denk niet dat mijn tante nog verwachtte dat er in Lourdes een wonder zou plaatsvinden maar ze ging er heel graag heen omdat, zo zei ze, het een plaats was waar het verschil tussen ziek en gezond er niet meer toe deed,

Bij mijn eerste werkdag in het museum voelde ik iets wat mensen gevoeld moeten hebben bij hun aankomst in Lourdes. De volstrekte vanzelfsprekendheid waarmee mensen vragen stellen – heb je zelf ook iets met psychiatrie? – en de volstrekte terloopsheid waarmee je een eerlijk antwoord kunt geven.

Ja, terloops… Een klimaat dat ook anders is dan de sfeer die spreekt uit de nogal onbesuisde kretologie van de antipsychiatrie uit de jaren 60 en 70 – waarvan de uitingen natuurlijk ook in het museum zijn terug te vinden. Ik denk aan sit-ins waar iedereen rookte, aan vette haren en lelijke brillen, aan barricadehormonen en de vele dingen waar je tegen moest zijn en goeroe-achtige intellectuelen die menig patiënt van de regen in de drup hebben geholpen. Er zijn overeenkomsten, belangrijke overeenkomsten zelfs, maar toch is het ook heel anders. Hier in het museum is het schoner, is het rustiger – iedereen heeft wel iets en we hoeven het er niet steeds over te hebben.

Afbeelding: ©Collectie Museum van de Geest