In zijn De geschiedenis van de waanzin beschrijft de kritische filosoof Michel Foucault hoe de waanzinnigen, mensen die in de Renaissance nog deel uit konden maken van de samenleving, in de klassieke tijd, dat wil zeggen vanaf het midden van de 17de eeuw, in gestichten werden opgesloten. Het roemruchte hoofdstuk uit zijn boek hierover draagt de titel ‘De grote opsluiting’. Het is iets wat zich in veel West-Europese landen heeft voltrokken, en wat in die landen ook het geval was, was dat aan randen van de steden de interneringshuizen vaak al klaarstonden.
Waar we het over hebben zijn de leprozerieën of melaatsenkolonies die aan het eind van de middeleeuwen leeg kwamen te staan. Het waren de plaatsen buiten de stad waar de mensen huisden met verminkingen aan hun handen of voeten en blaasjes op hun gezicht of over hun hele lichaam. De ziekte waaraan deze mensen leden was meestal lepra, maar zo nauwkeurig was de diagnostiek in de Middeleeuwen nog niet zodat je ook met andere huidziekten in deze kolonies terecht kon komen.

Op de foto zie je de poort in Amsterdam die toegang gaf tot zo’n leprozerie. Boven deze leprozenpoort staat aan de linkerkant een man met een hoed die in zijn rechterhand een klepper draagt waarmee de melaatsen hun aanwezigheid moesten aankondigen.
Ook het gebouw waarin in Haarlem het Museum van de Geest gevestigd is maakt deel uit van deze geschiedenis. Het ligt buiten de oude stad, je moet aan de achterkant van het station uitstappen om er te komen. Het gebouw bleek steeds weer ingezet te kunnen worden voor andere groepen mensen die opgevangen of, zoals Foucault zou zeggen, opgesloten moesten worden: pestlijders, waanzinnigen, prostituees met syfilis en helemaal aan het begin, inderdaad de melaatsen. Het was een wijkplaats voor mensen die niet welkom waren als permanente bewoner binnen de stadsmuren. Van de klepper wordt in het museum nog een origineel exemplaar tentoongesteld.
Afbeelding: Leprozenpoort bij de Sint-Antoniussluis in Amsterdam
