1. Modern sjamanisme
Op de landingspagina van mijn website heb ik geschreven: “ik ben ervan overtuigd dat de psychose nooit zal worden begrepen tenzij je een concept hebt dat overeenkomsten vertoont met dat wat Girard ‘metafysisch begeerte’ noemt.” Deze woorden heb ik geschreven vanuit mijn eigen verhaal en nu ik inmiddels beter bekend met de enorme variëteit aan psychoses zou ik deze bewering misschien wat moeten inperken tot een engere kring van een bepaald type psychotische ontregelingen. Maar relevant blijft deze uitspraak wel voor de Zomergasten-aflevering met Jim van Os, want zijn eigen verhaal illustreert heel mooi hoe psychotische gedachtenontwikkelingen gerelateerd kunnen zijn aan het verdere verloop van een levenspad.
‘Metafysische begeerte’ is een wat technisch filosofische term die komt uit de mimetische theorie van René Girard en beschrijft wat iemand wil Zijn, uitgaande van de voorbeeldfiguren die dat Zijn belichamen. Het gaat hier om een verlangen dat zich veel dichter bij de kern van iemands identiteit bevindt dan de seksuele verlangens, waar zoveel psychiaters zich in het verleden blind op hebben gestaard. Het is een verlangen dat zich al laat zien als jonge jongentjes zeggen dat ze later brandweerman willen worden, of astronaut, of stervoetballer. En ook bij jonge meisjes die ballerina willen worden – genderrollen spelen hier wel een rol, maar zijn daarin natuurlijk niet heel strikt: ik herinner me ook een vrouw die me verteld had dat ze als jong meisje twijfelde tussen de eerste vrouwelijke astronaut en de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten.
Deze ‘metafysische’ verlangens zijn verlangens die bestierd worden door tot de verbeelding sprekende modellen, wat ook de reden is dat je iemand nooit zult horen zeggen dat hij of zij altijd ambtenaar had willen worden bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat – ook niet als het levenspad daar uiteindelijke heen zal voeren. En zo zien we in de jongens- en meisjesdromen de signatuur van een bepaald soort psychose al terugkeren – een jonge voetballer die als Johan Cruijff wil worden, een jonge schrijver die als Thomas Mann wil worden, een getalenteerde natuurkundestudent die als Einstein wil worden, Don Quichot die een perfecte ridder als Amadis de Galliër wil worden, Nietzsche die een cultuurheros als Wagner wil worden, Hölderlin die een groot dichter als Schiller wil worden – het is een steeds terugkerend patroon en dan laat ik hierbij Napoleon en de talloze Boeddha’s en messiassen nog maar even buiten beschouwing.
Healer, sjamaan, wonderdokter behoren zeker ook tot een sterk tot de verbeelding sprekend genre voorbeeldrollen waar psychiaters vaak op georiënteerd zullen zijn. Maar naast het fantasieleven van psychiaters spoken sjamanen ook nogal eens rond in de verbeelding van mensen die op hun eerste hoge vluchten gecrasht zijn tijdens – ik noem maar een zijstraat – een crisis ontstaan na een desastreuze auditie op een conservatorium waarop een afwijzing is gevolgd. Als zich daaruit een psychose ontwikkelt, en als je daar ook weer úit weet te komen, heb je, terwijl de lier nog steeds aan de wilgen hangt, niettemin toegang gekregen tot zeer curieuze belevingsdomeinen, ervaringen die je vervolgens kunt gaan inzetten om andere mensen in vergelijkbare crises op weg te helpen. De pianovirtuoos wijkt dan voor de sjamaan – je zou het modern sjamanisme kunnen noemen. De metafysische begeerte zwenkt af naar andere voorbeeldrollen en tot op zekere hoogte begint het hele verhaal dan opnieuw. Ik weet waarover ik spreek en ook dat er hierbij nieuwe verleidingen op je af kunnen komen die je weliswaar niet in een nieuwe psychose hoeven te brengen, maar toch grote moeilijkheden met zich mee kunnen brengen. En zo kan vanuit een psychose iemand zich ontpoppen als healer, sjamaan of, wanneer je zoals David Lukoff een vertaalslag hebt gemaakt naar de moderniteit, als psychotherapeut.1 Dit alles zal een rol spelen bij veel mensen die een psychose hebben ondergaan en zich hebben ontwikkeld als ervaringsdeskundig medewerker in een psychiatrische instelling.
Waarmee we ons ook kunnen afvragen – waarom zou iemand psychiater willen worden in the first place? Of psycholoog, of therapeut? Hoeveel psychiaters zijn alleen maar tot hun vak gekomen dank zij een zuiver wetenschappelijke interesse in de ontregelingen van de menselijke ziel? Bij hoeveel psychiaters is er in het eigen verleden niet al ergens eerder iets van een crash of bijna-crash geweest? Schuilt er in iedere psychiater niet tot op zekere hoogte een ervaringsdeskundige? In conferenties als Too Mad To Be True, waar ik nu twee keer aan deelgenomen heb, hoor je inderdaad hulpverleners met enige regelmaat dergelijke verhalen vertellen. Wanneer je af en toe een inkijk krijgt in de biografische achtergronden van de psychiaters die daarover willen vertellen, word je ook in het vermoeden gesterkt dat de ervaringsdeskundigheid onder psychiaters veel groter is dan mensen doorgaans willen aannemen en psychiaters zelf willen toegeven.
Maar bij Jim van Os hoeven we ons niet aan speculaties over te geven omdat hijzelf al voor een deel uit de kast is gekomen – ja, dit lijkt me hier wel een gepaste uitdrukking – met een verhaal over hoe hij tijdens zijn werk als assistent in een achteraf-kliniek ergens in Frankrijk een geneeskuur met verdund alcohol had bedacht. Op een vreemde manier leek deze bij de nodige patiënten aan te slaan, en zo begon een bepaalde feedbackloop op gang te komen die hem al snel tot wonderdokter zou bombarderen, een rol waarvan hij in die tijd afstand wist te doen maar die hij in zijn latere carrière desalniettemin opnieuw op zich zou nemen. Het spirituele ongeduld dat zoveel psychoses kenmerkt, heeft Jim van Os in een bepaalde periode in zijn leven ook in zijn greep gehad en hem in de buurt gebracht van iets waar hij als psychiater juist boven had moeten staan. Een bijzonder verhaal is het, en ook is het bijzonder dat hij er in Zomergasten zo openlijk over heeft gesproken.
2. Een heel nieuwe menselijke aanpak
Ook mijn eigen levenspad vertoont de nodige zwenkingen en het is pas sinds een paar jaar dat ik me serieus in de levens van sommige psychiaters ben gaan verdiepen. Het moderne sjamanisme heeft me wel aangeraakt, maar in het verleden heb ik de psychiaters links laten liggen en ben ik de kant uitgegaan van het doorgronden van teksten, dat wil zeggen in de richting van literatuurstudies, exegese en filosofie. Nu ik de tijd neem om biografieën van psychiaters tot me te nemen, ga ik me daarbij ook afvragen welke van hen mij destijds eventueel uit een psychotische gedachtenontwikkeling had kunnen wegleiden.
Het verhaal dat me in mijn recente leesavonturen nog het meeste heeft aangegrepen kwam ik tegen in de autobiografie van Carl Gustav Jung. Het ging over een psychiater die contact wist te leggen met een patiënte die zichzelf doof had verklaard maar nog wel bleek te kunnen zingen.2 Door op de piano met het gezongen lied mee te gaan spelen en op een gegeven moment van toonsoort te veranderen wist de psychiater die persoon in de muziek toch te bereiken. Of dit verder tot een vorm van herstel geleid heeft vertelt het verhaal niet, maar het sluit wel aan bij hoe we Jim van Os horen praten over het benaderen van mensen die ontregeld zijn. Communicatie komt van twee kanten en als je niet tot een gedeelde werkelijkheid kunt komen – dat is wat het fragment uit La moustache zo mooi liet zien – hebben mensen de neiging de werkelijkheid van anderen te overrulen met hun eigen werkelijkheid. Dat is wat psychoten en psychiaters zo vaak met elkaar doen als er geen communicatie tot stand kan komen, en het is dan de psychiater die hoegenaamd altijd aan het langste eind trekt.
Het punt is dat de healer of therapeut, na erin geslaagd te zijn een eerste contact met de patiënt te leggen, een gidsrol op zich moet nemen en ook de verantwoordelijkheid aan moet durven iemand weg te leiden van of weg te houden uit de gletsjers, moeraspoelen en andere onherbergzaamheden van het spirituele landschap. Ik denk dat maar heel weinig psychiaters daartoe in staat zijn en dat we ook in een tijd leven waarin het spirituele landschap door veel mensen, inclusief psychiaters, als non-existent (lees: intrinsiek krankzinnig), premodern (lees: achterlijk, achterhaald) of fundamenteel onbegaanbaar wordt gezien.
Naast Herinneringen, dromen, gedachten van Carl Gustav Jung, waarin ik het verhaal van de dove zangeres had gevonden, heb ik inmiddels ook biografieën gelezen van andere mogelijke voorbeeldfiguren van Jim van Os, zoals Ronald Laing en Jan Foudraine. Het verhaal van Laing vind ik echt ontluisterend en doet me denken aan andere tragedies waarin mensen koste wat koste met hun vroege succes willen blijven samenvallen. Tussen de bedrijven door heb ik, aangespoord door de tv-serie Etty, ook de biografie van de handlezer Julius Spier gelezen, die bij Jung in de leer is geweest en wiens vak ook de sjiekere naam psychochirologie heeft gekregen. En ik moet zeggen dat deze Julius Spier, zeker als ik hem vertolkt zie in de gestalte van de acteur Sebastian Koch met zijn prachtige Duitse basstem, misschien nog het meeste in aanmerking komt voor de rol van de wondergenezer die ik in mijn leven gemist heb. Maar ik weet niet of ik bij hem in de leer had mogen komen, aangezien hij, zoals ik wel vaker heb gezien in het circuit van de onbeschermde beroepen, liever worstelde met cliënten van het andere geslacht.
Deze bekende psychiaters zijn natuurlijk ook de mogelijke voorbeeldfiguren van Jim van Os en één daarvan liet hij in Zomergasten zelf al in beeld komen: de auteur van Wie is van hout?, Jan Foudraine. Over diens latere werken zijn de meningen verdeeld en daar wil ik hier niet uitgebreid op ingaan, behalve twee korte opmerkingen: 1) dat daarin een aantal hele interessante beschouwingen over Jung en Laing zijn te vinden en 2) dat Foudraine heel expliciet en open is geweest over wie uiteindelijk zijn grote voorbeeldfiguur was geworden. In de volgende passage uit de biografie van Alex Rutten lezen we hoe bij een getalenteerd psychiater als Jan Foudraine heilsdrang en wonderdokterschap door elkaar kunnen lopen – het zijn woorden van Foudraine zelf:
Toen ik in 1966 terugkwam, was er nog altijd een echt, messiaans gevoel. Ik vond dat ik de vijf jaar ervaring in het psychoanalytisch sanatorium Chestnut Lodge, waar ik een soort wondergenezer van ‘schizofrenen’ was geweest, en ook alle ervaringen daarvóór tijdens mijn specialisatie tot psychater in Holland, moest gaan uitdragen. Juichend, want het ging om het goede nieuws: een heel nieuwe menselijke aanpak in de psychiatrie.3
Met dat laatste zinnetje – ‘een heel nieuwe menselijke aanpak in de psychiatrie’ – hebben we echt te maken met een raakpunt met de loopbaan van Jim van Os zelf. Als we hem een missie willen toeschrijven dan gaat het om een missie die al veel ouder is dan toen hij zich erin inschreef en waarvan we voorbeeldfiguren kunnen terugvinden minstens tot aan het begin van de 20ste eeuw.
Over zijn invulling van die nieuwe aanpak heeft hij zich in Zomergasten niet onbetuigd gelaten – hij wil geen antipsychiater zijn (overigens zijn Jan Foudraine en ook de andere gedoodverfde antipsychiaters nooit blij geweest met deze betiteling) en opteert hij voor een volle samenwerking met de GGZ. Maar naast de biomedische wereld van diagnoses en etiketten, is er ook een belangrijke rol weg gelegd voor de Herstelbeweging waarin ervaringsdeskundigen elkaar kunnen steunen, verder op weg helpen en mogelijk voor valpartijen behoeden.
Waarmee de vraag voor mij ontstaat – als ik in mijn adolescentie in dezelfde toestand van energieke euforie bij een Herstel-academie zou zijn aangekomen, zou ik dan voor een volledige decompensatie – om maar even die geleerde term te gebruiken die Van Os zich aan het begin van Zomergasten liet ontvallen – behoed zijn geworden?
3. Uitgestoken handen en terloopse vragen
Het moeilijke van gidsen is dat je zowel nabij moet kunnen zijn als afstand in acht moet kunnen nemen, de weg in het landschap moet kennen en op beslissende momenten verantwoordelijke keuzes moet kunnen maken. Eén van de dingen die leken op dit gebied vaak niet beseffen is dat iemand die een psychose of een andere ontregeling heeft ondergaan nog niet zomaar een inzetbare ervaringsdeskundige in een herstelbeweging is. Daarvoor moet je heel wat bijleren en het kan ook nog eens blijken dat iemand door een bepaalde aanleg of door bepaalde moeilijk te overwinnen onhandige eigenschappen in het geheel niet geschikt blijkt te zijn, hoe diep hij of zij ook in het sjamanisme meent te zijn ingewijd.
Contact weten te leggen en naast iemand gaan staan die psychisch ontregeld is, is heel belangrijk, maar niet genoeg. Ik herinner me de film De twee heiligen van Ingmar Bergmann, waarin iemand helemaal meegaat, mede-afdaalt in de wanen en angsten van een ander. Er is, geloof ik, zoiets als pathologische medemenselijkheid, een woekerende empathie die je soms op koddige wijze bij kinderen ziet ontstaan en die dan meestal nog gemakkelijk te corrigeren is, maar die in latere, complexere volwassen relaties serieus kan bijdragen aan het in stand houden van een bepaalde problematiek. Er schiet me nu hier een regel uit het nummer Radio Baghdad van Patti Smith door mijn hoofd: Suffer not your neighbour’s affliction / But extend your hand. De uitgestoken hand vind ik een mooie metafoor, niet alleen omdat het een cultureel gebaar is dat verzoening aanbiedt, maar ook omdat een uitgestoken hand fysiek kan redden wanneer iemand zich in een moeras, in een poel of in een andere onherbergzame plaats bevindt.
Er zijn meer metaforen waarmee je het betere gidswerk kunt omschrijven. In Zomergasten heb ik twee keer iets als een gidsende aanwezigheid ervaren, en dat waren momenten waarop iemand niet zomaar naast maar ook tegenover de ander ging staan en deze als het ware tegen zich op liet botsen. Ik denk aan het aangrijpende moment in de film The Work, waarbij Janine Abbring het zelfs niet meer droog hield, en waarin je zag hoe een man recht tegenover iemand ging staan die de wanhoop echt nabij was. Wat ik ook voelde in dat fragment was dat de omhelzing waarmee alles afliep, en waaruit je zou kunnen concluderen dat het om een geslaagde interventie ging, op een of andere manier heel dicht bij een kaakslag lag. De spanning was te snijden en ik denk dat zoiets bij het betere gidsen onvermijdelijk is. Er is een zwevend moment waarin je niet weet of het goed of kwaad is wat je doet, het is een waagstuk waarbij de goede afloop niet verzekerd is en waar steeds echte moed voor nodig is.
Een ander gidsmoment kwam uit het verhaal waarin van Os zich zelf aan het opwerken was tot wondergenezer. Het verhaal had ik al eerder gelezen in zijn essay ‘Scheurtjes hebben we allemaal’ dat verschenen is in een waanzin-special van De Gids.4 De citaten die ik hier geef komen niet uit het tv-programma maar uit dat essay.
Na enkele weken begon een idee post te vatten in mijn brein. Of beter: begon zich een overweldigend gevoel te manifesteren. Een gevoel dat ik een enorme sprong kon maken – op basis van een ontwakend reservoir van energie. Een sleutel waarmee een schatkist vol mogelijkheden opengemaakt zou kunnen worden. Het was een zeer welkome afwisseling na weken tobben en insomnia. Een stroom van energie, focus en oplossingsgerichte daden diende zich aan.
[…]
Met de komst van die energie begon zich in mijn hoofd een idee te nestelen dat weldra alles zou overnemen: de gedachte dat eau de vie, mits eindeloos verdund, een universeel geneesmiddel zou worden, waar alle pensionaires baat bij zouden hebben. […] Wat begon als een ingeving werd een allesoverheersend project. Wekenlang was ik er dag en nacht mee bezig, eten, slapen, sociale contacten – ze verbleekten naast de urgentie van dit plan.
Wat zich in een psychiatrische context bij van Os aan het ontwikkelen was, was wat je een ontdekkingspsychose kunt noemen, een type psychose die zeer dicht tegen mijn eigen psychose aan ligt, waarbij bij mij de grote ontdekking zich in de context van de moderne fysica afspeelde. In mijn boek De overtocht heb ik er herhaaldelijk op gewezen dat het menen te doen van een grote ontdekking ook een emotionele gebeurtenis is die op zich losstaat van de vraag of de ontdekking later bewaarheid kan worden:
Als men op de dag dat Einstein het wereldbeeld van een absolute tijd en ruimte uitstapte van hem een hersenscan had kunnen maken, dan zou deze waarschijnlijk een grote gelijkenis vertonen met het beeld dat scans van psychoten laten zien. Geïnspireerd worden, een ontdekking doen en daar euforisch van worden. Het zou raar zijn als je dopaminehuishouding op die momenten níet aangeroerd zou worden. […] Misschien zal hij ook eventjes gedacht hebben dat hij een genie was, maar hij heeft er zich niet door laten meeslepen en ging aan het werk om zijn inzicht in de vorm van een wetenschappelijk artikel te gieten.5
Deze verhalen sluiten goed aan bij een nog niet zo lang geleden verschenen proefschrift waarin psychotische kantelmomenten als ‘Aha-Erlebnisse’ worden beschreven (afgewisseld met Anti-Aha-Erlebnisse).6 In mijn eigen boek heb ik een lang citaat gegeven uit een documentairefilm waarin Jacques Derrida onder de titel Eureka! zijn grote filosofische inspiratiemoment beschrijft.7
Ongetwijfeld, slechts een zeer klein aantal van die kolossale gevoelens oproepende ontdekkingservaringen zullen later in waarachtige ontdekkingen hun eindpunt vinden, en ook het wonderlijke eau-de-vie-visioen van Jim van Os zou op het slagveld van de grote geestelijke ingevingen sneuvelen. De corrigerende gids is in zijn geval een ex-psychiater:
Op het hoogtepunt van mijn verdunningsexperimenten was ik op bezoek bij mijn buurman, de voormalige Parijse universitair hoofddocent met Armeense wortels. Hij was zoals gebruikelijk een beetje vlak van de antipsychotica, en onder de oppervlakte broeide zijn paranoia, maar achter zijn matte mimiek ging een scherpe geest schuil. Hij schonk ons elk een half glas in en vroeg me te vertellen waar ik precies mee bezig was. Ik begon enthousiast over de verdunningen, de vaten, de flessen in de garage, de juiste potentie van eau de vie die iedereen beter zou maken.
Hij luisterde zonder te onderbreken, het hoofd scheef, en zei: ‘Hoor je wel wat je zegt?’
Die vraag sneed enigszins door de roes heen. In zijn toon zat spot noch autoriteit – alleen een bijna klinische nieuwsgierigheid, met precies genoeg menselijkheid om me met beide benen op de grond te zetten. […]
Sindsdien weet ik waarom contacten met andere mensen zo gezond zijn. Een subtiele relationele correctie, bijna terloops gegeven, kan een dwalende geest tot de orde roepen – niet met theorie, maar met een enkele trefzekere vraag.
Van doelbewust gidsen en het ‘confronteren’ van iemand met zijn dwalingen is hier geen echt sprake meer, maar we zijn hier ook nog in het voorgeborchte van een volle psychose. Hoe groot de roes of de inspiratie in dat voorgeborchte ook al kan zijn, bij een volledige decompensatie, of wat platter gezegd – als je echt helemaal doorgedraaid bent – zullen een paar rake, terloopse vragen niet voldoende zijn om iemand weer te doen landen op aarde. Autoriteit, theorie, diagnose – waar Jim van Os in zijn persoonlijke verhaal toch wel zorgvuldig langs heen laveert, zijn niet zozeer het probleem, denk ik. Goed gidsen is meer een kwestie van je bewegen binnen een vertrouwensrelatie, waarin momenten van autoriteit en macht verdragen kunnen worden en ook weer kunnen oplossen, en waarin ook altijd de mogelijkheid bestaat dat het vertrouwen geschonden wordt. Een goede gidsrelatie is in wezen een variant op de meester-discipel relatie waarin veel meer mogelijk is dan de formele arts-patiënt relatie en waarbij, daar kun je juist het werk van Girard op naslaan, ook steeds het risico bestaat dat discipel en meester met elkaar gaan rivaliseren.
4. Opgeblazen zelfbeelden
Ik ben mijn verhaal begonnen met het ‘metafysische verlangen’ van René Girard en daar wil ik in deze paragraaf naar terugkeren. Ik heb gezegd dat je de signatuur van een klassieke psychose in elke kinderdroom terug kunt vinden, en dat de dingen eerst problematisch worden wanneer mensen vanuit het verlangen geestelijk willen doorstoten naar de staat van vervulling – wat de kern is van wat ik ook ‘spiritueel ongeduld’ heb genoemd. Het verhaal van Jim van Os illustreert dit als geen ander, omdat hij zich na het moment van derailleren niet uit het veld heeft laten slaan en alsnog de weg naar roem en glorie in het genezingsvak heeft vervolgd. Verreweg de meeste levens zwenken na, laten we het maar houden bij de afwijzing van het conservatorium, af van de al te hete jeugddromen en eindigen dan bij, ja, laten we het maar houden bij een baan bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat – met misschien daarbij een hobby als pianist in een lokaal bandje.
Wat belangrijk is om te beseffen is dat met dit afzwenken die ‘metafysische verlangens’ niet verdwijnen of oplossen, of anders gezegd, dat je vrij bent van deze verlangens op het moment dat je besluit géén brandweerman te worden, of geniale fysicus, of stervoetballer, of superpsychiater. Bij elke zwenking zwenkt het verlangen met je mee en degene bij wie de roes uitzicht te hebben op ‘s werelds concertpodia na de fatale auditie bij het conservatorium is vervlogen, kan vele jaren later alsnog roemloos ten onder gaan door in een onverkwikkelijke ruzie terecht te komen met een collega over iets futiels wat gebeurd is op de werkvloer van het ministerie van Verkeers- en Waterstaat. In de romankunst kunnen we lezen over de bonte wereld waarin we leven en met wat voor rare zwenkingen en onverwachte perspectieven mensen daarin kunnen opbloeien of ondergaan.
Een term die je regelmatig tegenkomt in psychiatrische literatuur over psychoses en manieën is inflated self-esteem, wat je kunt vertalen als een ‘opgeblazen zelfbeeld’. Wanneer het systeem dat al je innerlijke lucht binnen het betamelijke houdt gaat disfunctioneren zien we typische vormen van megalomanie ontstaan die van de psychose steeds zo’n fascinerend schouwspel maken. We zien een psychoot dan de opblazingen waar zoveel mensen mee hebben te maken ongeremd uitleven, en het interessantste onderdeel daarvan is de aanloopperiode waarin er nog geen volledige decompensatie heeft plaatsgevonden, dat wil zeggen, de periode waarin de droombeelden en de bijbehorende nieuwe context nog een vorm begrijpelijkheid hebben en waarbij de metafysische gestaltes van topfysicus of wondergenezer nog in de lucht zijn. In het voorstadium van een psychose, wat in de literatuur meestal incipient psychosis wordt genoemd, zijn de wanen nog enigszins te begrijpen en bestaan er nog mogelijkheden om de bevlogene met relatief zachte hand naar veiligere wateren terug te loodsen.
Schrijdt de decompensatie verder voort dan krijg je te maken (en ik spreek dan weer uit eigen ervaring) met een proliferatie van voorbeeldfiguren8 en verbrokkelt de symbolische toppositie in een soort veldslag die de psychoot in elke nieuwe situatie heeft te leveren om die bovenpositie te kunnen innemen en de roes te kunnen bestendigen. Hoe verder je daarin afgedwaald bent, hoe moeilijker het voor de gids zal worden om je tot de orde te roepen. Een bijzonder fraai voorbeeld van het innemen van zo’n symbolische bovenpositie trof ik opnieuw in de autobiografie van Carl Gustav Jung, die vertelt over een vrouw die dacht dat ze de Loreley was, en daartoe geïnspireerd was doordat de psychiaters in haar omgeving door hun baard hadden gestreken en opgemerkt hadden: ‘Ich weiß nicht was soll es bedeuten.’ Het is weer zo’n verhaal waarin op seksualiteit gebrande psychiaters hopeloos de mist in zullen gaan, en waarin Jung dichter bij de waarheid zit als hij denkt in termen van compenseren van minderwaardigheids-gevoelens, of van een problematiek rondom de self-esteem. In verder voortgeschreden psychoses zijn de symbolische manoeuvres die een psychoot uitvoert niet meer na te volgen, wat wil zeggen dat de onderliggende cryptogrammen (zoals in het bovenstaande voorbeeld een gedicht van Heinrich Heine) voor de gemiddelde buitenstaander niet meer zijn op te lossen. Daarnaast kunnen in een vergevorderd stadium negatieve gevoelens zoals angst en paranoia de sturing volledig overnemen en mogelijk ook de betekenisgeving achteraf gaan overwoekeren, zodat het verhaal van de psychose als een uit de hand gelopen metafysisch verlangen daarbij volledig onzichtbaar kan worden. Bij het achteraf begrijpelijk maken van een psychose zou je er goed aan doen speciale aandacht te besteden aan de manuscripten waar in de cruciale beginmomenten aan werd gewerkt, maar de ontwrichting kan dermate groot worden dat de hele boekenkast erover heen dondert en je eerst door pakken familiearchief heen moet werken voor je bij het verhaal komt waarmee het allemaal begonnen is. En dat familiearchief kan schokkend materiaal bevatten, in schreeuwende taal en grote hoeveelheden ook nog eens, zodat je daar voorlopig de eerste jaren therapeutisch mee bezig zult zijn, ook al was het in de boekenkast zorgvuldig buiten het zicht voor nieuwsgierige kinderen opgeborgen.
Toch denk ik dat het de moeite waard is in de verhalen van grote psychotische chaos het element van bestendiging van een vervuld verlangen te proberen blijven waarnemen. Soms, zoals Jung op zijn manier ook probeert, kun je zien hoe het spel van de metafysische begeerte, dat ook het spel is van de primus inter pares, met volle energie en bizarre ad-hoc wanen wordt verder gespeeld. De taal en de belevingen zijn dan dermate bevreemdend dat mensen er niet meer de werking van de alomtegenwoordige primus inter pares in het dagelijkse leven in herkennen
Vaak denk ik dat, hier in Nederland en in onze tijd, meer dan de helft van de mensen met een opgeblazen zelfbeeld rondloopt. Misschien vinden mensen dat een raar en grimmig wereldbeeld, maar soms denk ik dat het percentage opgeblazen mensen misschien nog wel hoger ligt dan vijftig procent als ik afga op hoe schaars de momenten zijn waarop ik in het bijzijn van een ander waarachtige ruimte kan voelen. Het is waarom boslucht vaak zo fris ruikt. Er zijn momenten waarop het goed is om je groot te maken en er zijn momenten waarop het goed is om je klein te maken, je zou je ego in volume moet kunnen laten pulseren, maar heel veel moderne ego’s pompen zich voortdurend vol met zoveel lucht als ze maar kunnen aanzuigen en vullen elk klein stukje ruimte dat onverhoeds vrijkomt op met nog meer van dezelfde muffe substantie. En behalve om hiertussen nog wat bewegingsruimte te vinden is het natuurlijk ook een belangrijke opdracht om een eerlijk antwoord te vinden op de vraag in hoeverre jezelf bijdraagt aan dat vaak verstikkende sociale fluïdum.
5. Vervulling, waanzin, ontlediging
Ik heb het woord grimmig laten vallen. Grimmig inderdaad is het wereldbeeld van René Girard, omdat in zijn theorie de metafysische begeerte altijd uitloopt op rivaliteit, geweld en het bijbehorende gevoelscluster van afgunst en ressentiment. Succesverhalen krijgen bij hem steeds het karakter van een religieuze bekering, hoewel de literaire voorbeelden die door hem worden aangedragen, zoals het laatste deel van A la recherche du temps perdu van Marcel Proust, of The Winter’s Tale van William Shakespeare, vaak een sterk seculier karakter hebben. Bekering bij hem betekent in de meeste gevallen je bewust worden van de metafysische begeerte en je aan haar meest perfide werkingen weten te onttrekken. Het is niet een klinisch inzicht, maar het is zelf-inclusief, een inzicht dat je eigen leven zal veranderen – vandaar dat grote woord ‘bekering’.
Je zou kunnen zeggen dat Girard gekant is tegen een religie van het succes, een religie van de zelfverwerkelijking in deze wereld, gekant tegen een denkwereld waarin dat wat er werkelijk in het leven toe doet samenvalt met de afgodsbeelden van een geslaagd leven waardoor we onszelf laten betoveren. Je kunt deze begeerte of dit verlangen opvatten als een modaliteit van de ‘wil tot macht’ van Nietzsche, waarbij Girard dan niet uitgaat van een objectgericht verlangen, maar als iets wat relationeel is en het Zijn (de status, de glorie) van modellen en voorbeeldfiguren betreft. Pas met deze relationaliteit komt het potentiaal van rivaliteit en geweld duidelijk in beeld. Als Nietzsche de filosoof van de zelfverwerkelijking is, dan is Girard de filosoof die zicht biedt op de obstakels die je in elk zelfverwerkelijkingstraject op je weg zult tegenkomen – namelijk de anderen, die zich ook willen zelfverwerkelijken in een métier of roeping waar er meer gegadigden dan uitverkorenen zijn.
Met andere woorden, er is in de denkwereld van Girard eigenlijk geen plaats voor gedachtenlijnen die laten zien hoe die metafysische begeerte en alle energie die ze aan kan boren op een goede en menselijke manier tot een geslaagd leven kan leiden als een leven van louter werelds succes. Girard laat een romanschrijver als Dostojevski gunstig afsteken bij Nietzsche en andere hemelbestormers van het Diesseitige, omdat de eerste, zoals in zijn novelle Herinneringen uit het ondergrondse, wél in staat is de armetierigheid van het eigen sociale leven onder ogen te zien op de momenten dat het eigen hoofd zich volblaast met grandioze ideeën en theorieën. In een essay9 over deze twee auteurs heeft Girard de aandacht gevestigd op aforisme 14 uit Nietzsches Morgenrood, getiteld: ‘Betekenis van de waanzin in de geschiedenis der moraliteit.’ Dit aforisme eindigt met berichten uit de ‘wildernis van allerbitterste en overtolligste zielenpijnen waarin waarschijnlijk de vruchtbaarste mensen aller tijden verzucht hebben.’ Het is de moeite waard een passage hieruit aan te halen:
Ach, geeft mij toch waanzin, gij hemelingen! Waanzin, opdat ik eindelijk aan mij zelf geloof! Geeft mij delirium en stuiptrekkingen, plotselinge lichtflitsen en duisternissen, jaagt mij angst aan met kou en hitte zoals nog geen sterveling ooit ondervonden heeft, met gedruis en rondwarende gedaanten, laat mij jammeren en kermen en als een dier kruipen: opdat ik maar geloof vind bij mij zelf! De twijfel vreet mij op […]10

Als de vervulling uitblijft, zoals daar in het leven van Nietzsche sprake van is geweest, is de waanzin nog altijd een van de opties. De waanzin van Nietzsche is iets wat je van verre aan kunt zien komen en in het uiterst onwaarschijnlijke geval dat hij syfilis opgelopen zou hebben is het eigenlijk onnodig daar aandacht aan te besteden. De aforismebundel Morgenrood, waaruit het bovenstaande citaat is genomen, verscheen acht jaar vóór zijn Umnachtung, en ik denk dat het de kern bevat van zijn onmacht te voldoen aan de filosofie die hij zelf probeerde uit de dragen. Het is een onmacht die resoneert in heel veel zielen die zich tekort gedaan voelen in hun intellectuele of artistieke prestaties en die een belangrijk onderdeel is van de psychische malaise in een tijd die geen grote verhalen meer kan inzetten tegen het alles opslorpende monster van het wereldse succes.
Er zit iets demonisch om een uiterst geslaagd mens als voorbeeldfiguur te nemen, en de meest geslaagde mens uit de geschiedenis van de moderne cultuur, waar zowel Nietzsche als Jung door gefascineerd waren, Johann Wolfgang von Goethe, zal dat zelf, getuige zijn laatste psychodrama Faust, op een bepaalde manier ook wel aangevoeld hebben. Het is een zeer curieus verhaal met technische en seksuele zelfverwerkelijkingsprojecten waarbij doden vallen en waarbij een gestalte opdoemt die we met steeds meer instemming herkennen als de duivelskunstenaar, als degene ‘die er echt voor gaat’, die er alles maar dan ook alles voor over heeft de status van groot filosoof, groot wetenschapper, groot kunstenaar te bereiken.
Tegenover de tweevoudige wereld van vervulling dan wel waanzin beginnen we in onze tijd geleidelijk te bewegen naar andere technieken om aan de altijd eindeloos voortwoekerende metafysische verlangens te ontsnappen. Traditionele religies blijken daarin dan opeens over wonderlijk grote reserves te beschikken en mensen bij wie die verlangens een metafysische explosie hebben ondergaan hebben soms al voorproefjes gehad van de ontlediging waar de grote mystici van spreken. Het gaat er niet om succesvolle mensen hun succes te misgunnen en door te gaan nieuwe soorten uit te zetten in de kweekvijver van het ressentiment, maar het gaat erom om vertrouwen te vinden in een levensopvatting waarin je niet met je succes hoeft samen te vallen en er ademruimte is voor de grote meerderheid aan mensen aan wie een groot succes niet vergunt is. Een wereld met alleen maar brandweermannen en astronauten kun je niet draaiende houden.
Metafysische verlangens staan dicht bij de menselijke identiteit, heb ik aan het begin van dit schrijven gezegd, en in de worstelingen met dit eindeloze woekeren kunnen de gedachten juist uitgaan naar mensen die bij ons zijn in de momenten waarin ons self-esteem tot niets verschrompeld is, de momenten waarin we het gevoel hebben volledig mislukt te zijn – wanhoopsmomenten waar zelfs zeer succesvolle mensen aan kunnen lijden. Tegenover vervullingsvisioenen staan ook beelden van waarachtige medemenselijkheid, die kunnen komen uit een wereld waarin hulpverleners, therapeuten en psychiaters zich bewegen, alsook bijvoorbeeld gevangenisbezoekers en vrijwilligers die werken bij een telefonische noodlijn. Het is de wereld van de donkere nachten van de ziel waar Jezus- en Mariaverschijningen mensen doorheen kunnen tillen, en het is ook de wereld van een aantal fragmenten die ik bij Zomergasten in de filmkeuze van Jim van Os op het scherm heb gezien. Je leven leren laten dragen door momenten van waarachtige liefde, serene stilte, verlossing van de kakafonie van het succes, van rustig kunnen zijn als een kat in een vensterbank – daarmee door kunnen gaan ook als de productiemachine van kosmische verklaringsbeelden uit de ether is weggevallen. Moet je een aan zekerheid grenzend geloof hebben in een kosmische vergoedingsmachine die je na je dood gaat belonen voor het moment waarop je een wanhopig mens in de ogen hebt gekeken? Ben je daartoe alleen maar bereid als je aan de achterkant een spirituele kassa hoort rinkelen? Zijn mensen hiertoe alleen maar in staat als ze toevallig een paar uurtjes vrijaf kunnen nemen van hun eigen succesverhalen? Of schuilt er een diepere betekenis in die momenten als we er zo diep door worden geraakt, zelfs in een amusementsprogramma als Zomergasten?
Ik ga eindigen met een passage uit het boek Against Identity: The Wisdom of Escaping the Self (2025) van Alexander Douglas, een driedelig werk waarin naast Girard ook Zhuangzi en Spinoza worden besproken. Het thema is de keuze tussen vervulling en ontlediging. Het volgende fragment gaat over de zondeval bij Spinoza:
Door de terminologie van de zondeval te gaan hanteren, verbindt Spinoza zich impliciet met de notie van een ongevallen staat. Als de zondeval begint met de honger naar identiteit, dan moet de zaligheid ofwel bestaan in het verzadigen van deze honger – een veilige en duurzame identiteit vinden – of aan het ontkomen van de honger – niet langer begeren naar identiteit. Hoewel Spinoza soms speelt met de eerste optie, kiest hij in zijn uiteindelijke filosofische positie voor de tweede. Zaligheid is de weg uit de identiteit, een ontsnapping aan het zelf.11
De hele wereld schreeuwt ons toe dat we in onszelf moeten geloven, en inmiddels leven we in een medialandschap waarin de succesverhalen elkaar in hoog tempo opvolgen. Veel levens worden geheel door succesvisioenen beheerst, en vormen daarmee spiegelbeelden van de meer karikaturale vormen waarin hele levens beheerst worden door alcohol of gokken. Als het lot, de media, de critici, de anderen, net zoals in het leven van Nietzsche, niet willen meewerken aan een als geroepen komende vervulling, en als er, zoals in de filosofie van Nietzsche zelf, geen spirituele wijkruimte meer is voor menselijk falen of mislukking, dan is er altijd nog de optie van de waanzin, de geforceerde indifferentiatie waarin de donkere uitsparing tussen twijfel en zekerheid, verlangen en vervulling gedicht kan worden met een fantasie die de werkelijkheid overneemt.
Succes wordt problematisch wanneer het een sacrale rol krijgt, wanneer een grenzeloze offervaardigheid voor het succes verward wordt met dat wat werkelijk betekenis heeft – deze suggestie kun je ook in Goethes Faust lezen. Ook mensen die een zeker succes hebben bereikt – en Zomergasten is daar 39 jaar lang in Nederland ook een belangrijke graadmeter van geweest – kunnen nog op allerhande wijze derailleren, kijk alleen maar naar de presidenten van de huidige grootmachten. Als ik Jim van Os een hele avond hoor praten, ook over zijn zoon en andere familieleden, als ik hoor dat hij zich na zijn pensioen wil terugtrekken en helpen aan het bouwen van een molen, dan maak ik me wat ontsporen betreft over hem niet al te veel zorgen. Zeker, psychose-achtige ontsporingen zijn ook in zijn toekomst altijd nog mogelijk, maar vooralsnog geef ik hem een gunstige prognose.
Noot. De laatste tijd is René Girard veel in het nieuws geweest in verband met zijn rol in het leven van Peter Thiel en J.D. Vance. Dit onderwerp heb ik in dit schrijven buiten beschouwing willen laten. Wie hier meer over wil weten verwijs ik naar twee video’s, gemaakt door de Girard Studiekring in samenwerking met Zincentraal: Peter Thiel, the Antichrist, and the End Times – A Lecture by Wolfgang Palaver en Trump, Vance, Thiel – De geheime filosofie achter hun denken met Guido Vanheeswijck. Van Guido van Heeswijck kan ik ook het onlangs verschenen Filosofische fluisteraars, theologische techbro’s, politieke rattenvangers aanbevelen.
