1. Afsluiten en openen
In deze korte beschouwing wil ik een paar dingen zeggen over de afsluitende virtuele bijeenkomst van een serie zoomsessies waarin het boek Continental Philosophy of Psychiatry: The Lure of Madness van Alastair Morgan werd besproken.[1] Aan deze sessie heeft de auteur zelf ook deelgenomen en vragen beantwoord en reacties in ontvangst genomen. Ik noem het gesprek ‘afsluitend’, simpelweg omdat het de laatste sessie was in een reeks. Daarmee betekent dit woord in eerste instantie niets meer dan dat het wijst op een formele beëindiging van een vooraf overeengekomen eindige verzameling gedachte-uitwisselingen. Het is, een beetje anders gezegd, niet meer dan het sluit-element in een rituele reeks. Maar tegelijkertijd herbergt het woord ‘afsluiten’ thematisch benaderd een problematisch contrast met woorden en noties als ‘openen’, ‘mogelijkheden scheppen’, ‘ruimte geven’ die in de sessie zelf en de reeks voorafgaande gesprekken zo’n grote rol hebben gespeeld. Het is dit contrast waar ik verder op in wil gaan, en waaraan ik een paar filosofische beschouwingen wil wijden.
Voor de goede orde, de sessies waar ik naar verwijs zijn de leessessies over het genoemde boek van Alastair Morgan georganiseerd door de Stichting Psychiatrie en Filosofie in de eerste maanden van 2025. Aan deze gesprekken werd deelgenomen door een tiental psychiaters en ervaringsdeskundigen waarbij Wouter Kusters fungeerde als gespreksleider. Het in 2022 verschenen boek van Morgan behandelt de bewegingen in de continentale filosofie van de psychiatrie vanaf het begin van de 20ste eeuw tot in grosso modo de jaren zeventig.
2. De geest van Kart Jaspers
Een van de geesten die herhaaldelijk over deze gespreksserie mocht waaien is de belangstellende, onderzoekende geest van Karl Jaspers. Zijn Allgemeine Psychopathologie uit 1913 werd een aantal malen genoemd als eens nog steeds zeer leesbaar boek, en Alastair Morgan begint zijn eigen reis door de continentale filosofie van de psychiatrie met de vaststelling van Jaspers dat de waanzin in haar diepste wezen onbevattelijk is. Onmiskenbaar is Jaspers een denker die een grote openheid van geest heeft, die niets liever lijkt te willen dan begrijpen wat waanzin in haar diepste wezen is, maar die ondanks al die welwillendheid steeds opnieuw moet vaststellen dat het echte doordringen in het hart van de waanzin uit moet blijven. Deze vraag, en ook deze voorlopige conclusie, hebben drie maanden lang boven onze gesprekken gehangen.
Een open houding staat nog niet in voor baar denkresultaat, zou je kunnen zeggen. Om dit nog wat verder te illustreren kan ik terugkeren tot mijn voorbereidende werk voor mijn presentatie bij de Too Mad To Be True-conferentie in Gent (oktober 2024), waarin ik een en ander over mijn psychose heb proberen te zeggen aan de hand van het contrast tussen de twee schilders Giorgio de Chirico en Vincent van Gogh.[2] Daartoe had ik Jaspers’ Strindberg und van Gogh: Versuch einer vergleichenden pathographischen Analyse geraadpleegd en was zeer onder in de indruk van de wijze waarop Jaspers betekenis en samenhang probeerde aan te brengen tussen de schilderijen van van Gogh en zijn omvangrijke autobiografische notities, meestal in de vorm van brieven aan zijn broer Theo en anderen. Het was hoogwaardig intellectueel werk, wat Jaspers had verricht, waarbij hij er ook in slaagde bepaalde sfeer- en nuance-wisselingen in de late schilderijen van van Gogh terug te traceren. Jaspers was echt, om een mooie Engelse term te gebruiken, ‘reaching out’, een welwillende, aandachtvolle, soms bijna liefhebbende aanwezigheid jegens de getourmenteerde ziel van Vincent van Gogh en alles wat deze aan het briefpapier en het schildercanvas heeft willen toevertrouwen. Zó – zo heb ik destijds het lezen van Jaspers’ boek ervaren – wens je je een psychiater, ja, zó wens je je zelfs een goede vriend.
De openingen die Jaspers maakt leidden – ook in het geval van van Gogh – niet tot krachtige uitsluitsels en definitieve inzichten, maar lijken je desalniettemin de kunstenaar in zijn vervoeringen toch iets meer nabij te brengen. Meer misschien nog dan conclusies en vaststellingen creëren Jaspers’ beschouwingen een klimaat dat afwijkt van het standaard academische colloquium waarin intelligente mensen vaak hun harde meningen op elkaar laten ketsen. Het is een uitreiken, een poging een vriendelijke spreekruimte te scheppen waarin naar elkaar geluisterd wordt – ik heb het nu niet meer specifiek over Jaspers, maar over Alastair Morgan en onszelf als belangstellende lezers van zijn boek. Ook wij, psychiaters, filosofen, ervaringsdeskundigen, waren aan het uitreiken, reaching out, naar de psychotische medemens, naar elkaar. Ook wij deelden in een bepaald soort openen, zoeken naar openingen.
Als je op straat, in de kroeg, in de academische wandelgangen, begint over psychoten en psychiaters, dan vind je bij de argeloze voorbijganger vaak al heel snel aansluiting bij een gedachtewereld waarin de waanzinnigen de gemartelde slachtoffers zijn van een wrede wereld, terwijl de psychiaters de mandarijnen zijn die eigenlijk alleen maar mensen willen opsluiten, gedrag determineren, pillen draaien en daaraan geld verdienen. Alhoewel in dezelfde straten, kroegen en academische corridors ook het spiegelbeeld bestaat van hinderlijke, verwarde personen en een biomedische wereld die de dwalers weer op het padje proberen te brengen, maak ik als ex-waanzinnige toch heel vaak mee hoe je bij de gemiddelde hedendaagse intellectueel al heel snel op sympathie rekenen, terwijl de psychiaters van alles hebben uit te leggen. Wat gebeurt er met deze mythen, met deze zwart-wit werelden als psychiaters en ervaringsdeskundigen serieus met elkaar in gesprek gaan? Dan ontstaat er inderdaad een meer open denkruimte waarin je als waanzinnige ook beter leert je in de wereld van de psychiater te verplaatsen. De gedachte dat het goed is om naar psychiatrische patiënten te luisteren gaat er bij velen in als zoete koek, maar ook is het zeer de moeite waard aandachtig naar psychiaters te luisteren, waar zij mee te maken hebben, wat ze proberen te zeggen en te doen, en hoe ze omgaan met iets wat ze, net als Jaspers, niet in haar ultieme grond begrijpen.
3. Zoeken naar openingen
We komen hier aan bij de vraag of het zoeken naar openingen altijd wel heilzaam is, en of het soms niet beter is daar af en toe paal en perk aan te stellen. Wat ik wil gaan uitleggen is dat zoiets in feite in een afsluitend gesprek al gebeurt, en dat in zo’n afsluiting het aspect van geslotenheid zelfs nog duidelijker naar voren springt. Openheid en geslotenheid moeten niet begrepen worden als twee Manicheïstische contrasten, maar als de twee modi vanwaaruit samen een ruimte kan ontstaan, een gespreksruimte, die, zo zal ik steeds benadrukken, ook een rituele ruimte is.
In mijn leven heb ik aan veel groepsgesprekken deelgenomen die buiten de bekende, meest voorkomende kaders vielen. In mijn recente verleden denk ik aan studiebijeenkomsten van de Girard Studiekring en gesprekken in en rondom de Dominicuskerk. Wat verder terug in mijn verleden zijn er de gesprekken geweest met een groep mensen die zich wilden verdiepen in de ‘psychosynthese’ van de Italiaanse transpersoonlijke psycholoog Roberto Assagioli. Nog een aantal jaren verder terug waren er de groepstherapie-sessies bij de studentenpsycholoog in Nijmegen, waar ik aan deelnam in het kader van de nazorg van mijn psychose. Een grapje dat ik af en toe maakte als iemand me vroeg wat ik van de therapiesessie had gevonden was: ‘Het was nuttig en soms bevrijdend, maar gelukkig mochten we onze kleren aanhouden.’
Ja, ook wat wij verbaal geprobeerd hebben in onze gesprekssessies over Alastair Morgan deel ik in bij de talloze variaties waarin op een bepaalde manier gezocht wordt naar bevrijdende leef- en beleefmodificaties. Ik heb het al een rituele ruimte genoemd, maar je zou het ook een therapeutische ruimte kunnen noemen. Waar het om gaat is dat je voor een beperkte tijdsruimte buiten de discipline van de alledaagse wereld, en buiten de discipline van de gevestigde instituties gaat opereren. Gespreksruimte is als term misschien te neutraal, therapeutische ruimte is misschien te zwaar, rituele ruimte is misschien wat vergezocht, maar toch gaat het steeds om wat binnen die nevenruimte kán, mogelijk is, acceptabel is. In die nevenruimte bestaan/ontstaan er mogelijk toegangswegen tot iets dat buiten die ruimte minder toegankelijk is of bestaat/ontstaat belangstelling voor iets waar buiten die ruimte nauwelijks belangstelling lijkt te bestaan. Je zou het ook eenvoudigweg een alternatieve ruimte kunnen noemen, waarin bepaalde regels en gewoonten gesuspendeerd worden.
In die alternatieve ruimtes – in bredere zin nu weer – gebeuren ongewone dingen en dat kan soms heel ver gaan. In de genoemde groepstherapie-sessies van na mijn psychose werd soms, nee, werd regelmatig geschreeuwd en gehuild. Binnen de psychotherapie en in de spirituele subcultuur zijn voortdurend pogingen om alternatieve ruimtes verder te exploreren. Er ontstaan ook allerlei alternatieve ruimtes rondom ‘lichaamswerk’ en zelfs in niet-therapeutische groepsbijeenkomsten, zoals die van sportclubs, zangkoren of toneelgezelschappen gebeuren soms dingen waarvan je vreemd op zou kijken als die zich zomaar in de publieke ruimte zouden voltrekken.
Tijdens onze bespreeksessies kwam ook Jean Foudraine weer even voorbij, die in de afgelopen maanden weer even in het nieuws was geweest. Met zijn ruim vijftig jaar geleden verschenen, door meer dan 200.000 mensen gelezen Wie is van Hout? is Jean Foudraine het bekendste Nederlandse boegbeeld van de antipsychiatrie, een auteur die toen al schreef over psychiaters als R.D. Laing, die we nu weer bij Alastair Morgan zijn tegen komen. We zijn niet uitgebreid op de levensloop van Foudraine ingegaan, maar duidelijk is dat hij zich, net als Laing, zeer sterk aangetrokken heeft gevoeld door de tegencultuur van de jaren en zeventig. In een van zijn vervolgboeken, uit de tijd dat hij zich bij de Bhagwan-beweging had aangesloten en zich Swami Deva Amrito noemde, beschrijft hij dat hij diep onder de indruk is van hoe direct er in de therapieruimtes in Poona met bepaalde problemen werd omgegaan. Een van zijn boodschappen was, althans zo heb ik het begrepen, je kunt drie jaar therapeutische gesprekken houden over gevoelens schaamte bij het masturberen, maar daartegenover kun je wellicht middels een aantal probate oefeningen hetzelfde bereiken in veel kortere tijd en met een veel grotere intensiteit.
En nu we het toch over Bhagwan Sri Rajneesh hebben, de Duitse meesterdenker Peter Sloterdijk schrijft ergens dat in zijn leven de psychoanalyse en de Bhagwan-beweging de twee grootste invloeden zijn geweest in zijn leven. En hij voegt daaraan toe dat academici in de regel graag meer horen over Freud en Lacan, maar meteen hun neus optrekken als ze de naam Bhagwan horen. In de verhalen over die periode in zijn leven is Sloterdijk dan ook zeer terughoudend, maar in een van de delen van zijn magnum opus Sferen heeft hij het toch gewaagd een afbeelding op te nemen waarin je een inkijkje krijgt in hoe het er in de alternatieve ruimtes van Poona aan toe kon gaan.[4]
Het punt dat we hier langzaam aan het benaderen zijn is de gedachte dat rituele, therapeutische of alternatieve ruimtes niet per se goed zijn, of heilzaam zijn. En het is ook niet altijd even gemakkelijk te beoordelen. Er zijn mensen die bevrijdingen in therapiesessies in Poona hebben ondergaan waarvan ze hun leven lang heil zeggen te hebben ondervonden, maar ook zijn er in de afgelopen decennia de nodige naargeestige verhalen van tweede generatie sannyasins naar buiten gekomen. Het hangt er natuurlijk allemaal vanaf, en veel kritiek zal terug te voeren zijn op de mate waarin mensen onvrijwillig aan bepaalde praktijken worden onderworpen. Maar tegelijkertijd wil ik hierbij zeggen dat elke alternatieve ruimte waarin naar openingen wordt gezocht veelal gebaat is bij een eindigheid, bij de mogelijkheid om deze ruimte af te sluiten en te verlaten.
Om de misschien ietwat obscene associatie met lichaamsopeningen nog even in de lucht te houden, het is altijd van belang dat een carnaval fundamenteel eindig is, en dat de losgeslagenheid weer kan overgaan naar de orde van de dag. Rituelen – en je moet ze dan vanuit een Girardiaanse achtergrond benaderen en begrijpen – zijn tijdelijke suspensies waarin het sacrale zich tot in de beleving mag doordringen, en waarin het eindige op zeer indringende wijze eindig wordt gemaakt door ze onder zware sancties ritueel te limiteren. Iets van die rituele gestrengheid is in het hedendaagse carnaval nog steeds aanwezig in de Aswoensdag, het memento mori in de vorm van een askruisje op het voorhoofd, dat zo sterk contrasteert met de hopelijk als uitbundige levensvreugde genoten vrijheden van de voorafgaande dagen.
Dit onderwerp is, in een sessie net na Aswoensdag, ook expliciet in de leesgroep aan de orde gekomen toen we in Alastair Morgan’s boek de tegencultuur bespraken, de hippiecultuur in samenhang met de twijfelachtige seksueel geladen excursies naar de psychiatrische vrouwenafdelingen van de jonge Robert Laing of de woeste denksprongen van Gilles Deleuze en Félix Guattari.[5] Girardiaans gedacht heeft het offerritueel en het carnaval als bedoeling de mensen te laten ervaren waar bandeloosheid allemaal toe kan leiden, opdat ze na alle chaos van hun eigen vrijheid de psychische, institutionele of rituele ordeningsprincipes weer in dankbaarheid zullen aanvaarden. Dit is de logica van archaïsche gemeenschappen die, naar onze smaak, politiek en religieus zeer conservatief zijn, maar die bezien vanuit een wereld waarin het heilig ontzag nog zeer levend is naar moderne cultuur vaak – voor zover het nog mogelijk is vanuit een archaïsche cultuur naar onze cultuur te kijken – als zeer lichtzinnig ervaren.[6]
We komen hier ook bij een inhoudelijke vraagstelling ten aanzien van de alternatieve ruimte, en kunnen deze doortrekken naar de geschiedenis van de psychiatrie en zelfs naar de psychose binnen een individuele levensgeschiedenis. Vormt de counterculture van de jaren zestig, vormt een individuele psychose slechts een rituele episode waarvan niets beklijft, en waarna alles gewoon weer verder gaat alsof er niets gebeurt is? Dit was een van de vragen die werd opgeworpen als reactie op de gedachte aan het ritueel als een gesloten systeem. Zijn er in de jaren zestig bevrijdingsbewegingen geweest die wel degelijk iets substantieels hebben opgeleverd wat meegenomen kon worden in een post-hippie-cultuur?
Uiteindelijk gaat het, zoals gezegd, bij dit vraagstuk ook om het verder leven na een psychotische periode. Ben ik blij dat ik uit het carnaval van mijn geestelijke losbandigheid ben gebroken, en dat ik nu weer ‘normaal’ en netjes mee mag draaien in de raderen van het maatschappelijke bestel? Of heb ik in mijn carnaval iets meegemaakt, heeft zich iets geopend dat ik over de rituele afsluiting heen kan tillen en mee kan nemen als iets dat van duurzame waarde is voor mijn verdere leven, voor mijn functioneren in mijn ‘normale’ leven, misschien zelfs tot in die mate dat mijn normale leven niet meer mijn zo normaal was als het weas? Heeft zich iets geopend dat zich niet meer totaal zal laten afsluiten, dat zich niet meer definitief als ‘slechts knotsgek’ laat begrijpen? Ben ik anders uit het ritueel van de indifferentiatie tevoorschijn gekomen dan dat ik er in ben ingegaan? Misschien is dit wel de kernvraag – en dan niet zozeer voor wat een psychose zou zijn – maar voor wat het betekent om met een psychose in het verleden verder te moeten leven.
4. De paradox van Kurt Gödel
Openheid versus geslotenheid vormen een van de thematische sublijnen in mijn boek De overtocht. In de paragraaf ‘Twee typen denkers’ ga ik daar zelfs expliciet en vrij uitgebreid op in en contrasteer ik de ‘open’ Derrida met de ‘gesloten’ Girard, een houding die het spiegelbeeld is van die van Douglas Hofstadter, die in zijn Escher, Gödel, Bach de ‘gesloten’ Bertrand Russell contrasteert met de ‘open’ Kurt Gödel.
De paradox was het hoofdthema tijdens de al genoemde 3de TMTBT-conferentie in Gent en helaas heb ik daarin de stelling van Gödel niet voorbij zien komen. Het is een fascinerend verhaal waarin Bertrand Russell optreedt als de man die een lastige mathematische paradox met zijn Principiae Mathimaticae opgelost meende te hebben, en die Gödel met zijn stelling weer weerlegd heeft juist door van Russells monumentale boek uit te gaan. Dieper in het hol van de leeuw kun je niet kruipen.
De stelling van Gödel houdt in dat je elk tekensysteem, vooropgesteld dat het voldoende complex en uitgebreid is, anders kunt coderen zodat het andere betekenissen genereert. Onder die alternatieve betekenissen zal zich dan ook de betekenis bevinden die pontificaal in tegenspraak is met de grondbetekenis van de tekst. Dit geldt dus niet alleen in de poëzie waar je paradoxale woordspelletjes mag spelen, maar eveneens binnen de hardst denkbare, granieten, diamanten mathematische tekensystemen. In zijn in de jaren zeventig veel gelezen boek Escher, Gödel, Bach probeert Douglas Hofstadter dit verhaal voor een groter publiek uit te leggen in een dialoog tussen Achilles en de Schildpad, waarin de Schildpad een platenspeler wil vervaardigen die álle mogelijke geluiden kan produceren. Als hij daarin zou slagen, zegt Hofstadter dan, zou die platenspeler ook het geluid kunnen produceren waarvan de platenspeler kapot zou trillen. In die gespreksserie bouwt de schildpad in dialoog na dialoog platenspeler na platenspeler, en komt Achilles iedere keer met een elpee aan (ja, ach die jaren zeventig!) die de platenspeler zal verruïneren.
Als dit spel op het hoogste niveau gespeeld wordt, zoals met Kurt Gödel en Bertand Russell het geval is, dan staan een fundamenteel instabiele en een fundamenteel stabiele wereld lijnrecht tegenover elkaar. Afgezien van alle argumentatie, die in haar inhoudelijke mathematische gedaante voor de leek nauwelijks te begrijpen is, zijn het ook twee visies waar je vanuit je houding, je smaak, je dispositie op kan reageren. Qua aanleg ben ik iemand die, net als Hofstadter, gefascineerd is door paradoxen, zelfreferentie, recursie, feedback-loops en alle andere fenomenen die de formele logica op hun grondvesten doen trillen. We moeten de raadsels niet oplossen, maar, zeg ik graag Harry Mulisch na, we moeten de raadsel vergroten…
Maar tegelijkertijd is de chaos, de overmaat aan paradoxen en feedback-loops, de instabiele wereld van ultieme vrijheid en eindeloze creativiteit, een onleefbare wereld. In mijn persoonlijk geschiedenis is het een waarlijk opgelost paradijs, een wereld waar ik nooit, maar dan ook nooit meer naar terug zou willen keren. Het is mijn psychose die in mij meer waardering heeft doen ontstaan voor alles wat bescherming biedt, de wereld veiliger maakt – en vaak ook de dingen afsluit en inperkt, en kleiner maakt dan ze misschien in hun diepste werkelijkheid zijn. Die dispositie van een hang naar paradoxen bestaat nog steeds in mij, het zal onderdeel zijn van de bedrading in mijn hersenen, maar die neiging is wel getemd of gedomesticeerd. En als ik me daar een beetje voor schaam in het gezelschap van wild denkende creatieve kunstenaar, dan voer ik mijn psychose op als een verontschuldiging daarvoor.
Dit is ook de gevoelslogica achter mijn uitleg waarom ik de ‘gesloten’ denker René Girard vaak prevaleer boven de ‘open’ Jacques Derrida. Ik kom niet zozeer op voor statements van Girard, ik ga niet uitleggen waarom hij gelijk zou hebben, maar eerder is het zo dat ik me verontschuldig voor een later ontstane denksmaak. Girard helpt me woorden en ideeën te vinden die me beschermen tegen allerlei woekerende gedachten. Girard is een denker die me de sociale chaos en de psychische chaos doen vrezen, hij is een apocalyptisch denker in de meest letterlijke betekenis van het woord die in zijn laatste boek de apocalyptische teksten uit de Bijbel volmondig serieus neemt. Filosofisch gesproken heeft de vaak op chaos-omhelzingen aansturende Derrida misschien wel gelijk, net zoals Kurt Gödel met zijn oer-paradox ook misschien wel epistemologisch juist zit, maar voor mij is het teveel en ga ik in de leer bij gematigdere denkers, of bij denkers die een wijsheid van de terughoudendheid hebben ontwikkeld.[7]
5. Afsluiten
Na al deze omzwervingen kom ik dan weer terug bij de afsluitende sessie met Alastair Morgan als auteur, Wouter Kusters als gespreksleider, en een aantal ervaringsdeskundigen en psychiaters die zijn boek met enthousiasme gelezen hebben. We besloten met het geven van een aantal dankbetuigingen voor de manier waarop Morgan een openheid heeft proberen te scheppen naar de waanzin. Het Engelse woord ‘reaching out’ komt hier weer bij me boven. En, zo was mijn indruk, het waren ook complimenten die door de auteur in dank werden afgenomen.
Bijna hilarisch was het moment waarop Wouter Kusters zei dat het wel mooi was met al die openheid, maar dat het nu toch echt tijd werd om af te sluiten. In alle sessies heeft hij de eindtijd strikt gehandhaafd, wat betekent dat er wat de tijd betreft zeer gedisciplineerd met de beginafspraken is omgegaan. Ik heb de gespreksruimte hierboven al betiteld als een nevendiscipline, een discipline die kan bestaan buiten de discipline van alledag of van gevestigde instituties, een raak hiermee een woord dat inhoudelijk ook van belang is, met name in de context van de denker Michel Foucault die zoals bekend zich intensief met de waanzin heeft beziggehouden.
In mijn ervaring wordt er in alternatieve gespreksruimtes nog weleens het handje gelicht met tijdslimieten en het effect daarvan is vaak dat gesprekken nodeloos voort gaan woekeren en dat er gevoelens kunnen ontstaan slecht bedeeld te zijn wanneer de uitlooptijd tussen de sessies varieert. Kordaat afsluiten als de wijzers van de klok de eindtijd benaderen – in mijn werk als ICT-er noemen we dat ‘timeboxen’ – is iets wat ik altijd zeer waardeer. Ik wil eindigen met een compliment aan Wouter Kusters, niet alleen omdat hij een grote openheid in de gesprekken heeft toegelaten, maar ook omdat hij op het einde kordaat en resoluut, tot op bijna de seconde nauwkeurig, de reeks gesprekken heeft afgesloten.
[1] Morgan, Alastair, Continental Philosophy of Psychiatry The Lure of Madness. Cham: Palgrave MacMillan, 2022.
[2] Zie De Chirico, van Gogh, en de hersenhelften.
[4] Persoonlijk heb ik geen ervaringen met de Bhagwan-beweging alhoewel er in de tijd rondom mijn India-reis in 1984 zeker wel een aanlokkelijke en ook dreigende werking vanuit ging. In India heb ik een andere guru opgezocht, Babaji, die bij mijn bezoek al een geruimte tijd gestorven bleek. Voor deze Babaji is in Nederland een ashram gesticht: https://www.babaji.nl/.
[5] In het vijfde deel van zijn boek, ‘Anti-Psychiatry and Madness’, schrijft Morgan: ‘This positive notion of schizophrenia as machine desire is tied to a concept of the loss of the ego and it is here that Deleuze and Guattari come closest to the characterization of their project a “saturnalian subjectivism” in Perry Anderson’s famous designation.’ Morgan’s houding tegenover de hippiecultuur is sterk ambivalent. In deze zinsnede komt met het citaat van de Deleuze en Guattari-kenner Perry Anderson alle draden van dit betoog bij elkaar – waanzin, psychiatrie, zelfverlies en het carnaval in de gedaante van de oude Romeinse Saturnaliën.
[6] Dit onderwerp wordt verder uitgewerkt in paragraaf 5.4 van De overtocht: Het sacrale als bescherming.
[7] De terughoudendheid van denkers wordt door Girard met name behandeld in zijn besprekingen van de Griekse tragedie. Belangrijk is om te beseffen dat die terughoudendheid niet filosofisch maar antropologisch is gemotiveerd. De volgende passage, die ik ook in De overtocht citeer, komt uit Girards God en Geweld die op zijn beurt weer een passage uit een van de koorzangen uit Euripides’ Bacchanten aanhaalt:
Er bestaat een wijsheid die pure dwaasheid is.
De gedachten die het menselijke overstijgen, verkorten het leven,
want wie te hoog mikt, verliest de vrucht van het ogenblik.
Ik denk dat het waanzin of dwaling is
op deze manier te handelen.
…
Hou je voorzichtige hart en je geest
Ver verwijderd van ambitieuze gedachten.
Wat de menigte eenvoudigen gelooft en beoefent,
Aanvaard ik ook voor mij.