Yayoi Kusama is echt een psychedelische kunstenares. Je zou het niet zo zeggen als je haar uitgebeeld ziet als een excentrieke Grand Old Dame, zoals in veel van de in memoriams die na haar dood op 14 augustus 2026 in de media zijn verschenen. Met haar decoratieve stippen in vrolijke kleuren, geschilderd op kussens, pompoenen en haar eigen kleren lijkt ze meer op een designer in dienst van een tassenfabrikant dan de grensverleggende, en ook psychisch getroebleerde kunstenares die ze is geweest.
Psychedelisch? Een achterhaald woord uit de hippietijd? Associaties met de jaren 60 zijn wel op zijn plaats, want we kunnen gewoon terugreizen naar beelden van Yayoi als hippiemeisje met lange zwarte haren en ogen geaccentueerd met kohl. En naar haar korte film Self-Obliteration uit 1967 met muziek die doet denken aan de meer chaotische passages op popmuziekalbums als die van de The Doors en Pink Floyd. We zien haar daar witte stippen aanbrengen op een paard, rode verfdruppels plengen op het wateroppervlak van een meertje, stippen aanbrengen op bomen, op gebouwen, op naakte mensenlichamen.
Psychedelisch betekent letterlijk ‘zielsvernietigend’ en ‘self-obliteration’ betekent ongeveer hetzelfde. Het suggereert een totaal, een oneindig zelfverlies in een kosmisch bewustzijn. Het staat tegenover wat ik ‘zelf-suspensie’ noem, een tijdelijke en ritueel afgeschermde uittrede uit het zelf, als in een mystieke ervaring of een psychotisch leefmoment. Kusama is uit zichzelf getreden maar is er nooit naar teruggekeerd. Haar film eindigt met beelden van een orgie, in de hippietijd vooral een schandaal vanwege de seksuele elementen, en nu nog steeds een schandaal omdat aan het einde van de film de suggestie van een archaïsch geweldsoffer onmiskenbaar aanwezig is.
Kusama toont de donkerste onderstroom van de hippiedroom, net zoals in het Parijs van de jaren dertig de filosoof Georges Bataille de donkerste onderstroom van het surrealisme toonde. Bataille was geobsedeerd door het mensenoffer en wist wel, maar doorgrondde niet, dat het ultieme taboe in onze wereld het taboe van het losgeslagen geweld is.
René Girard heeft de bizarre suggesties van Bataille ontrafeld en ons terugverwezen naar het katholicisme. Het katholieke offerritueel is een ritueel waaruit het geweld is weggetrokken en in plaats van een orgiastisch-komische dans hebben we een vredesritueel, met een gemarkeerd begin in de prefatie en een gemarkeerd einde in de wegzending. Het delen van brood en wijn en het elkaar vrede wensen is onderdeel van het ritueel. Stippen keren terug als tot wijn getransformeerde bloeddruppels en de witte hostie waarin het goddelijke geconcentreerd is.
Na de wegzending verlaat je de sacrale ruimte, die, omdat het een geweldloze ruimte is, ook heilig genoemd mag worden. En keer je terug naar de alledaagse wereld, dat wil zeggen, naar een profane wereld waar gezelligheid is, maar ook ruzies, hoofdpijn en lekke fietsbanden. Vóór de kerk kun je nog even napraten en als je geluk hebt wordt er koffie geschonken. Yayoi Kusama zal er niet bij zijn, want die heb je in de kosmos moeten achterlaten.
Op de landingspagina van mijn website heb ik geschreven: “ik ben ervan overtuigd dat de psychose nooit zal worden begrepen tenzij je een concept hebt dat overeenkomsten vertoont met dat wat Girard ‘metafysisch begeerte’ noemt.” Deze woorden heb ik geschreven vanuit mijn eigen verhaal en nu ik inmiddels beter bekend met de enorme variëteit aan psychoses zou ik deze bewering misschien wat moeten inperken tot een engere kring van een bepaald type psychotische ontregelingen. Maar relevant blijft deze uitspraak wel voor de Zomergasten-aflevering met Jim van Os, want zijn eigen verhaal illustreert heel mooi hoe psychotische gedachtenontwikkelingen gerelateerd kunnen zijn aan het verdere verloop van een levenspad.
‘Metafysische begeerte’ is een wat technisch filosofische term die komt uit de mimetische theorie van René Girard en beschrijft wat iemand wil Zijn, uitgaande van de voorbeeldfiguren die dat Zijn belichamen. Het gaat hier om een verlangen dat zich veel dichter bij de kern van iemands identiteit bevindt dan de seksuele verlangens, waar zoveel psychiaters zich in het verleden blind op hebben gestaard. Het is een verlangen dat zich al laat zien als jonge jongentjes zeggen dat ze later brandweerman willen worden, of astronaut, of stervoetballer. En ook bij jonge meisjes die ballerina willen worden – genderrollen spelen hier wel een rol, maar zijn daarin natuurlijk niet heel strikt: ik herinner me ook een vrouw die me verteld had dat ze als jong meisje twijfelde tussen de eerste vrouwelijke astronaut en de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten.
Deze ‘metafysische’ verlangens zijn verlangens die bestierd worden door tot de verbeelding sprekende modellen, wat ook de reden is dat je iemand nooit zult horen zeggen dat hij of zij altijd ambtenaar had willen worden bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat – ook niet als het levenspad daar uiteindelijke heen zal voeren. En zo zien we in de jongens- en meisjesdromen de signatuur van een bepaald soort psychose al terugkeren – een jonge voetballer die als Johan Cruijff wil worden, een jonge schrijver die als Thomas Mann wil worden, een getalenteerde natuurkundestudent die als Einstein wil worden, Don Quichot die een perfecte ridder als Amadis de Galliër wil worden, Nietzsche die een cultuurheros als Wagner wil worden, Hölderlin die een groot dichter als Schiller wil worden – het is een steeds terugkerend patroon en dan laat ik hierbij Napoleon en de talloze Boeddha’s en messiassen nog maar even buiten beschouwing.
Healer, sjamaan, wonderdokter behoren zeker ook tot een sterk tot de verbeelding sprekend genre voorbeeldrollen waar psychiaters vaak op georiënteerd zullen zijn. Maar naast het fantasieleven van psychiaters spoken sjamanen ook nogal eens rond in de verbeelding van mensen die op hun eerste hoge vluchten gecrasht zijn tijdens – ik noem maar een zijstraat – een crisis ontstaan na een desastreuze auditie op een conservatorium waarop een afwijzing is gevolgd. Als zich daaruit een psychose ontwikkelt, en als je daar ook weer úit weet te komen, heb je, terwijl de lier nog steeds aan de wilgen hangt, niettemin toegang gekregen tot zeer curieuze belevingsdomeinen, ervaringen die je vervolgens kunt gaan inzetten om andere mensen in vergelijkbare crises op weg te helpen. De pianovirtuoos wijkt dan voor de sjamaan – je zou het modern sjamanisme kunnen noemen. De metafysische begeerte zwenkt af naar andere voorbeeldrollen en tot op zekere hoogte begint het hele verhaal dan opnieuw. Ik weet waarover ik spreek en ook dat er hierbij nieuwe verleidingen op je af kunnen komen die je weliswaar niet in een nieuwe psychose hoeven te brengen, maar toch grote moeilijkheden met zich mee kunnen brengen. En zo kan vanuit een psychose iemand zich ontpoppen als healer, sjamaan of, wanneer je zoals David Lukoff een vertaalslag hebt gemaakt naar de moderniteit, als psychotherapeut.1 Dit alles zal een rol spelen bij veel mensen die een psychose hebben ondergaan en zich hebben ontwikkeld als ervaringsdeskundig medewerker in een psychiatrische instelling.
Waarmee we ons ook kunnen afvragen – waarom zou iemand psychiater willen worden in the first place? Of psycholoog, of therapeut? Hoeveel psychiaters zijn alleen maar tot hun vak gekomen dank zij een zuiver wetenschappelijke interesse in de ontregelingen van de menselijke ziel? Bij hoeveel psychiaters is er in het eigen verleden niet al ergens eerder iets van een crash of bijna-crash geweest? Schuilt er in iedere psychiater niet tot op zekere hoogte een ervaringsdeskundige? In conferenties als Too Mad To Be True, waar ik nu twee keer aan deelgenomen heb, hoor je inderdaad hulpverleners met enige regelmaat dergelijke verhalen vertellen. Wanneer je af en toe een inkijk krijgt in de biografische achtergronden van de psychiaters die daarover willen vertellen, word je ook in het vermoeden gesterkt dat de ervaringsdeskundigheid onder psychiaters veel groter is dan mensen doorgaans willen aannemen en psychiaters zelf willen toegeven.
Maar bij Jim van Os hoeven we ons niet aan speculaties over te geven omdat hijzelf al voor een deel uit de kast is gekomen – ja, dit lijkt me hier wel een gepaste uitdrukking – met een verhaal over hoe hij tijdens zijn werk als assistent in een achteraf-kliniek ergens in Frankrijk een geneeskuur met verdund alcohol had bedacht. Op een vreemde manier leek deze bij de nodige patiënten aan te slaan, en zo begon een bepaalde feedbackloop op gang te komen die hem al snel tot wonderdokter zou bombarderen, een rol waarvan hij in die tijd afstand wist te doen maar die hij in zijn latere carrière desalniettemin opnieuw op zich zou nemen. Het spirituele ongeduld dat zoveel psychoses kenmerkt, heeft Jim van Os in een bepaalde periode in zijn leven ook in zijn greep gehad en hem in de buurt gebracht van iets waar hij als psychiater juist boven had moeten staan. Een bijzonder verhaal is het, en ook is het bijzonder dat hij er in Zomergasten zo openlijk over heeft gesproken.
2. Een heel nieuwe menselijke aanpak
Ook mijn eigen levenspad vertoont de nodige zwenkingen en het is pas sinds een paar jaar dat ik me serieus in de levens van sommige psychiaters ben gaan verdiepen. Het moderne sjamanisme heeft me wel aangeraakt, maar in het verleden heb ik de psychiaters links laten liggen en ben ik de kant uitgegaan van het doorgronden van teksten, dat wil zeggen in de richting van literatuurstudies, exegese en filosofie. Nu ik de tijd neem om biografieën van psychiaters tot me te nemen, ga ik me daarbij ook afvragen welke van hen mij destijds eventueel uit een psychotische gedachtenontwikkeling had kunnen wegleiden.
Het verhaal dat me in mijn recente leesavonturen nog het meeste heeft aangegrepen kwam ik tegen in de autobiografie van Carl Gustav Jung. Het ging over een psychiater die contact wist te leggen met een patiënte die zichzelf doof had verklaard maar nog wel bleek te kunnen zingen.2 Door op de piano met het gezongen lied mee te gaan spelen en op een gegeven moment van toonsoort te veranderen wist de psychiater die persoon in de muziek toch te bereiken. Of dit verder tot een vorm van herstel geleid heeft vertelt het verhaal niet, maar het sluit wel aan bij hoe we Jim van Os horen praten over het benaderen van mensen die ontregeld zijn. Communicatie komt van twee kanten en als je niet tot een gedeelde werkelijkheid kunt komen – dat is wat het fragment uit La moustache zo mooi liet zien – hebben mensen de neiging de werkelijkheid van anderen te overrulen met hun eigen werkelijkheid. Dat is wat psychoten en psychiaters zo vaak met elkaar doen als er geen communicatie tot stand kan komen, en het is dan de psychiater die hoegenaamd altijd aan het langste eind trekt.
Het punt is dat de healer of therapeut, na erin geslaagd te zijn een eerste contact met de patiënt te leggen, een gidsrol op zich moet nemen en ook de verantwoordelijkheid aan moet durven iemand weg te leiden van of weg te houden uit de gletsjers, moeraspoelen en andere onherbergzaamheden van het spirituele landschap. Ik denk dat maar heel weinig psychiaters daartoe in staat zijn en dat we ook in een tijd leven waarin het spirituele landschap door veel mensen, inclusief psychiaters, als non-existent (lees: intrinsiek krankzinnig), premodern (lees: achterlijk, achterhaald) of fundamenteel onbegaanbaar wordt gezien.
Naast Herinneringen, dromen, gedachten van Carl Gustav Jung, waarin ik het verhaal van de dove zangeres had gevonden, heb ik inmiddels ook biografieën gelezen van andere mogelijke voorbeeldfiguren van Jim van Os, zoals Ronald Laing en Jan Foudraine. Het verhaal van Laing vind ik echt ontluisterend en doet me denken aan andere tragedies waarin mensen koste wat koste met hun vroege succes willen blijven samenvallen. Tussen de bedrijven door heb ik, aangespoord door de tv-serie Etty, ook de biografie van de handlezer Julius Spier gelezen, die bij Jung in de leer is geweest en wiens vak ook de sjiekere naam psychochirologie heeft gekregen. En ik moet zeggen dat deze Julius Spier, zeker als ik hem vertolkt zie in de gestalte van de acteur Sebastian Koch met zijn prachtige Duitse basstem, misschien nog het meeste in aanmerking komt voor de rol van de wondergenezer die ik in mijn leven gemist heb. Maar ik weet niet of ik bij hem in de leer had mogen komen, aangezien hij, zoals ik wel vaker heb gezien in het circuit van de onbeschermde beroepen, liever worstelde met cliënten van het andere geslacht.
Deze bekende psychiaters zijn natuurlijk ook de mogelijke voorbeeldfiguren van Jim van Os en één daarvan liet hij in Zomergasten zelf al in beeld komen: de auteur van Wie is van hout?, Jan Foudraine. Over diens latere werken zijn de meningen verdeeld en daar wil ik hier niet uitgebreid op ingaan, behalve twee korte opmerkingen: 1) dat daarin een aantal hele interessante beschouwingen over Jung en Laing zijn te vinden en 2) dat Foudraine heel expliciet en open is geweest over wie uiteindelijk zijn grote voorbeeldfiguur was geworden. In de volgende passage uit de biografie van Alex Rutten lezen we hoe bij een getalenteerd psychiater als Jan Foudraine heilsdrang en wonderdokterschap door elkaar kunnen lopen – het zijn woorden van Foudraine zelf:
Toen ik in 1966 terugkwam, was er nog altijd een echt, messiaans gevoel. Ik vond dat ik de vijf jaar ervaring in het psychoanalytisch sanatorium Chestnut Lodge, waar ik een soort wondergenezer van ‘schizofrenen’ was geweest, en ook alle ervaringen daarvóór tijdens mijn specialisatie tot psychater in Holland, moest gaan uitdragen. Juichend, want het ging om het goede nieuws: een heel nieuwe menselijke aanpak in de psychiatrie.3
Met dat laatste zinnetje – ‘een heel nieuwe menselijke aanpak in de psychiatrie’ – hebben we echt te maken met een raakpunt met de loopbaan van Jim van Os zelf. Als we hem een missie willen toeschrijven dan gaat het om een missie die al veel ouder is dan toen hij zich erin inschreef en waarvan we voorbeeldfiguren kunnen terugvinden minstens tot aan het begin van de 20ste eeuw.
Over zijn invulling van die nieuwe aanpak heeft hij zich in Zomergasten niet onbetuigd gelaten – hij wil geen antipsychiater zijn (overigens zijn Jan Foudraine en ook de andere gedoodverfde antipsychiaters nooit blij geweest met deze betiteling) en opteert hij voor een volle samenwerking met de GGZ. Maar naast de biomedische wereld van diagnoses en etiketten, is er ook een belangrijke rol weg gelegd voor de Herstelbeweging waarin ervaringsdeskundigen elkaar kunnen steunen, verder op weg helpen en mogelijk voor valpartijen behoeden.
Waarmee de vraag voor mij ontstaat – als ik in mijn adolescentie in dezelfde toestand van energieke euforie bij een Herstel-academie zou zijn aangekomen, zou ik dan voor een volledige decompensatie – om maar even die geleerde term te gebruiken die Van Os zich aan het begin van Zomergasten liet ontvallen – behoed zijn geworden?
3. Uitgestoken handen en terloopse vragen
Het moeilijke van gidsen is dat je zowel nabij moet kunnen zijn als afstand in acht moet kunnen nemen, de weg in het landschap moet kennen en op beslissende momenten verantwoordelijke keuzes moet kunnen maken. Eén van de dingen die leken op dit gebied vaak niet beseffen is dat iemand die een psychose of een andere ontregeling heeft ondergaan nog niet zomaar een inzetbare ervaringsdeskundige in een herstelbeweging is. Daarvoor moet je heel wat bijleren en het kan ook nog eens blijken dat iemand door een bepaalde aanleg of door bepaalde moeilijk te overwinnen onhandige eigenschappen in het geheel niet geschikt blijkt te zijn, hoe diep hij of zij ook in het sjamanisme meent te zijn ingewijd.
Contact weten te leggen en naast iemand gaan staan die psychisch ontregeld is, is heel belangrijk, maar niet genoeg. Ik herinner me de film De twee heiligen van Ingmar Bergmann, waarin iemand helemaal meegaat, mede-afdaalt in de wanen en angsten van een ander. Er is, geloof ik, zoiets als pathologische medemenselijkheid, een woekerende empathie die je soms op koddige wijze bij kinderen ziet ontstaan en die dan meestal nog gemakkelijk te corrigeren is, maar die in latere, complexere volwassen relaties serieus kan bijdragen aan het in stand houden van een bepaalde problematiek. Er schiet me nu hier een regel uit het nummer Radio Baghdad van Patti Smith door mijn hoofd: Suffer not your neighbour’s affliction / But extend your hand. De uitgestoken hand vind ik een mooie metafoor, niet alleen omdat het een cultureel gebaar is dat verzoening aanbiedt, maar ook omdat een uitgestoken hand fysiek kan redden wanneer iemand zich in een moeras, in een poel of in een andere onherbergzame plaats bevindt.
Er zijn meer metaforen waarmee je het betere gidswerk kunt omschrijven. In Zomergasten heb ik twee keer iets als een gidsende aanwezigheid ervaren, en dat waren momenten waarop iemand niet zomaar naast maar ook tegenover de ander ging staan en deze als het ware tegen zich op liet botsen. Ik denk aan het aangrijpende moment in de film The Work, waarbij Janine Abbring het zelfs niet meer droog hield, en waarin je zag hoe een man recht tegenover iemand ging staan die de wanhoop echt nabij was. Wat ik ook voelde in dat fragment was dat de omhelzing waarmee alles afliep, en waaruit je zou kunnen concluderen dat het om een geslaagde interventie ging, op een of andere manier heel dicht bij een kaakslag lag. De spanning was te snijden en ik denk dat zoiets bij het betere gidsen onvermijdelijk is. Er is een zwevend moment waarin je niet weet of het goed of kwaad is wat je doet, het is een waagstuk waarbij de goede afloop niet verzekerd is en waar steeds echte moed voor nodig is.
Een ander gidsmoment kwam uit het verhaal waarin van Os zich zelf aan het opwerken was tot wondergenezer. Het verhaal had ik al eerder gelezen in zijn essay ‘Scheurtjes hebben we allemaal’ dat verschenen is in een waanzin-special van De Gids.4 De citaten die ik hier geef komen niet uit het tv-programma maar uit dat essay.
Na enkele weken begon een idee post te vatten in mijn brein. Of beter: begon zich een overweldigend gevoel te manifesteren. Een gevoel dat ik een enorme sprong kon maken – op basis van een ontwakend reservoir van energie. Een sleutel waarmee een schatkist vol mogelijkheden opengemaakt zou kunnen worden. Het was een zeer welkome afwisseling na weken tobben en insomnia. Een stroom van energie, focus en oplossingsgerichte daden diende zich aan.
[…]
Met de komst van die energie begon zich in mijn hoofd een idee te nestelen dat weldra alles zou overnemen: de gedachte dat eau de vie, mits eindeloos verdund, een universeel geneesmiddel zou worden, waar alle pensionaires baat bij zouden hebben. […] Wat begon als een ingeving werd een allesoverheersend project. Wekenlang was ik er dag en nacht mee bezig, eten, slapen, sociale contacten – ze verbleekten naast de urgentie van dit plan.
Wat zich in een psychiatrische context bij van Os aan het ontwikkelen was, was wat je een ontdekkingspsychose kunt noemen, een type psychose die zeer dicht tegen mijn eigen psychose aan ligt, waarbij bij mij de grote ontdekking zich in de context van de moderne fysica afspeelde. In mijn boek De overtocht heb ik er herhaaldelijk op gewezen dat het menen te doen van een grote ontdekking ook een emotionele gebeurtenis is die op zich losstaat van de vraag of de ontdekking later bewaarheid kan worden:
Als men op de dag dat Einstein het wereldbeeld van een absolute tijd en ruimte uitstapte van hem een hersenscan had kunnen maken, dan zou deze waarschijnlijk een grote gelijkenis vertonen met het beeld dat scans van psychoten laten zien. Geïnspireerd worden, een ontdekking doen en daar euforisch van worden. Het zou raar zijn als je dopaminehuishouding op die momenten níet aangeroerd zou worden. […] Misschien zal hij ook eventjes gedacht hebben dat hij een genie was, maar hij heeft er zich niet door laten meeslepen en ging aan het werk om zijn inzicht in de vorm van een wetenschappelijk artikel te gieten.5
Deze verhalen sluiten goed aan bij een nog niet zo lang geleden verschenen proefschrift waarin psychotische kantelmomenten als ‘Aha-Erlebnisse’ worden beschreven (afgewisseld met Anti-Aha-Erlebnisse).6 In mijn eigen boek heb ik een lang citaat gegeven uit een documentairefilm waarin Jacques Derrida onder de titel Eureka! zijn grote filosofische inspiratiemoment beschrijft.7
Ongetwijfeld, slechts een zeer klein aantal van die kolossale gevoelens oproepende ontdekkingservaringen zullen later in waarachtige ontdekkingen hun eindpunt vinden, en ook het wonderlijke eau-de-vie-visioen van Jim van Os zou op het slagveld van de grote geestelijke ingevingen sneuvelen. De corrigerende gids is in zijn geval een ex-psychiater:
Op het hoogtepunt van mijn verdunningsexperimenten was ik op bezoek bij mijn buurman, de voormalige Parijse universitair hoofddocent met Armeense wortels. Hij was zoals gebruikelijk een beetje vlak van de antipsychotica, en onder de oppervlakte broeide zijn paranoia, maar achter zijn matte mimiek ging een scherpe geest schuil. Hij schonk ons elk een half glas in en vroeg me te vertellen waar ik precies mee bezig was. Ik begon enthousiast over de verdunningen, de vaten, de flessen in de garage, de juiste potentie van eau de vie die iedereen beter zou maken.
Hij luisterde zonder te onderbreken, het hoofd scheef, en zei: ‘Hoor je wel wat je zegt?’
Die vraag sneed enigszins door de roes heen. In zijn toon zat spot noch autoriteit – alleen een bijna klinische nieuwsgierigheid, met precies genoeg menselijkheid om me met beide benen op de grond te zetten. […]
Sindsdien weet ik waarom contacten met andere mensen zo gezond zijn. Een subtiele relationele correctie, bijna terloops gegeven, kan een dwalende geest tot de orde roepen – niet met theorie, maar met een enkele trefzekere vraag.
Van doelbewust gidsen en het ‘confronteren’ van iemand met zijn dwalingen is hier geen echt sprake meer, maar we zijn hier ook nog in het voorgeborchte van een volle psychose. Hoe groot de roes of de inspiratie in dat voorgeborchte ook al kan zijn, bij een volledige decompensatie, of wat platter gezegd – als je echt helemaal doorgedraaid bent – zullen een paar rake, terloopse vragen niet voldoende zijn om iemand weer te doen landen op aarde. Autoriteit, theorie, diagnose – waar Jim van Os in zijn persoonlijke verhaal toch wel zorgvuldig langs heen laveert, zijn niet zozeer het probleem, denk ik. Goed gidsen is meer een kwestie van je bewegen binnen een vertrouwensrelatie, waarin momenten van autoriteit en macht verdragen kunnen worden en ook weer kunnen oplossen, en waarin ook altijd de mogelijkheid bestaat dat het vertrouwen geschonden wordt. Een goede gidsrelatie is in wezen een variant op de meester-discipel relatie waarin veel meer mogelijk is dan de formele arts-patiënt relatie en waarbij, daar kun je juist het werk van Girard op naslaan, ook steeds het risico bestaat dat discipel en meester met elkaar gaan rivaliseren.
4. Opgeblazen zelfbeelden
Ik ben mijn verhaal begonnen met het ‘metafysische verlangen’ van René Girard en daar wil ik in deze paragraaf naar terugkeren. Ik heb gezegd dat je de signatuur van een klassieke psychose in elke kinderdroom terug kunt vinden, en dat de dingen eerst problematisch worden wanneer mensen vanuit het verlangen geestelijk willen doorstoten naar de staat van vervulling – wat de kern is van wat ik ook ‘spiritueel ongeduld’ heb genoemd. Het verhaal van Jim van Os illustreert dit als geen ander, omdat hij zich na het moment van derailleren niet uit het veld heeft laten slaan en alsnog de weg naar roem en glorie in het genezingsvak heeft vervolgd. Verreweg de meeste levens zwenken na, laten we het maar houden bij de afwijzing van het conservatorium, af van de al te hete jeugddromen en eindigen dan bij, ja, laten we het maar houden bij een baan bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat – met misschien daarbij een hobby als pianist in een lokaal bandje.
Wat belangrijk is om te beseffen is dat met dit afzwenken die ‘metafysische verlangens’ niet verdwijnen of oplossen, of anders gezegd, dat je vrij bent van deze verlangens op het moment dat je besluit géén brandweerman te worden, of geniale fysicus, of stervoetballer, of superpsychiater. Bij elke zwenking zwenkt het verlangen met je mee en degene bij wie de roes uitzicht te hebben op ‘s werelds concertpodia na de fatale auditie bij het conservatorium is vervlogen, kan vele jaren later alsnog roemloos ten onder gaan door in een onverkwikkelijke ruzie terecht te komen met een collega over iets futiels wat gebeurd is op de werkvloer van het ministerie van Verkeers- en Waterstaat. In de romankunst kunnen we lezen over de bonte wereld waarin we leven en met wat voor rare zwenkingen en onverwachte perspectieven mensen daarin kunnen opbloeien of ondergaan.
Een term die je regelmatig tegenkomt in psychiatrische literatuur over psychoses en manieën is inflated self-esteem, wat je kunt vertalen als een ‘opgeblazen zelfbeeld’. Wanneer het systeem dat al je innerlijke lucht binnen het betamelijke houdt gaat disfunctioneren zien we typische vormen van megalomanie ontstaan die van de psychose steeds zo’n fascinerend schouwspel maken. We zien een psychoot dan de opblazingen waar zoveel mensen mee hebben te maken ongeremd uitleven, en het interessantste onderdeel daarvan is de aanloopperiode waarin er nog geen volledige decompensatie heeft plaatsgevonden, dat wil zeggen, de periode waarin de droombeelden en de bijbehorende nieuwe context nog een vorm begrijpelijkheid hebben en waarbij de metafysische gestaltes van topfysicus of wondergenezer nog in de lucht zijn. In het voorstadium van een psychose, wat in de literatuur meestal incipient psychosis wordt genoemd, zijn de wanen nog enigszins te begrijpen en bestaan er nog mogelijkheden om de bevlogene met relatief zachte hand naar veiligere wateren terug te loodsen.
Schrijdt de decompensatie verder voort dan krijg je te maken (en ik spreek dan weer uit eigen ervaring) met een proliferatie van voorbeeldfiguren8 en verbrokkelt de symbolische toppositie in een soort veldslag die de psychoot in elke nieuwe situatie heeft te leveren om die bovenpositie te kunnen innemen en de roes te kunnen bestendigen. Hoe verder je daarin afgedwaald bent, hoe moeilijker het voor de gids zal worden om je tot de orde te roepen. Een bijzonder fraai voorbeeld van het innemen van zo’n symbolische bovenpositie trof ik opnieuw in de autobiografie van Carl Gustav Jung, die vertelt over een vrouw die dacht dat ze de Loreley was, en daartoe geïnspireerd was doordat de psychiaters in haar omgeving door hun baard hadden gestreken en opgemerkt hadden: ‘Ich weiß nicht was soll es bedeuten.’ Het is weer zo’n verhaal waarin op seksualiteit gebrande psychiaters hopeloos de mist in zullen gaan, en waarin Jung dichter bij de waarheid zit als hij denkt in termen van compenseren van minderwaardigheids-gevoelens, of van een problematiek rondom de self-esteem. In verder voortgeschreden psychoses zijn de symbolische manoeuvres die een psychoot uitvoert niet meer na te volgen, wat wil zeggen dat de onderliggende cryptogrammen (zoals in het bovenstaande voorbeeld een gedicht van Heinrich Heine) voor de gemiddelde buitenstaander niet meer zijn op te lossen. Daarnaast kunnen in een vergevorderd stadium negatieve gevoelens zoals angst en paranoia de sturing volledig overnemen en mogelijk ook de betekenisgeving achteraf gaan overwoekeren, zodat het verhaal van de psychose als een uit de hand gelopen metafysisch verlangen daarbij volledig onzichtbaar kan worden. Bij het achteraf begrijpelijk maken van een psychose zou je er goed aan doen speciale aandacht te besteden aan de manuscripten waar in de cruciale beginmomenten aan werd gewerkt, maar de ontwrichting kan dermate groot worden dat de hele boekenkast erover heen dondert en je eerst door pakken familiearchief heen moet werken voor je bij het verhaal komt waarmee het allemaal begonnen is. En dat familiearchief kan schokkend materiaal bevatten, in schreeuwende taal en grote hoeveelheden ook nog eens, zodat je daar voorlopig de eerste jaren therapeutisch mee bezig zult zijn, ook al was het in de boekenkast zorgvuldig buiten het zicht voor nieuwsgierige kinderen opgeborgen.
Toch denk ik dat het de moeite waard is in de verhalen van grote psychotische chaos het element van bestendiging van een vervuld verlangen te proberen blijven waarnemen. Soms, zoals Jung op zijn manier ook probeert, kun je zien hoe het spel van de metafysische begeerte, dat ook het spel is van de primus inter pares, met volle energie en bizarre ad-hoc wanen wordt verder gespeeld. De taal en de belevingen zijn dan dermate bevreemdend dat mensen er niet meer de werking van de alomtegenwoordige primus inter pares in het dagelijkse leven in herkennen
Vaak denk ik dat, hier in Nederland en in onze tijd, meer dan de helft van de mensen met een opgeblazen zelfbeeld rondloopt. Misschien vinden mensen dat een raar en grimmig wereldbeeld, maar soms denk ik dat het percentage opgeblazen mensen misschien nog wel hoger ligt dan vijftig procent als ik afga op hoe schaars de momenten zijn waarop ik in het bijzijn van een ander waarachtige ruimte kan voelen. Het is waarom boslucht vaak zo fris ruikt. Er zijn momenten waarop het goed is om je groot te maken en er zijn momenten waarop het goed is om je klein te maken, je zou je ego in volume moet kunnen laten pulseren, maar heel veel moderne ego’s pompen zich voortdurend vol met zoveel lucht als ze maar kunnen aanzuigen en vullen elk klein stukje ruimte dat onverhoeds vrijkomt op met nog meer van dezelfde muffe substantie. En behalve om hiertussen nog wat bewegingsruimte te vinden is het natuurlijk ook een belangrijke opdracht om een eerlijk antwoord te vinden op de vraag in hoeverre jezelf bijdraagt aan dat vaak verstikkende sociale fluïdum.
5. Vervulling, waanzin, ontlediging
Ik heb het woord grimmig laten vallen. Grimmig inderdaad is het wereldbeeld van René Girard, omdat in zijn theorie de metafysische begeerte altijd uitloopt op rivaliteit, geweld en het bijbehorende gevoelscluster van afgunst en ressentiment. Succesverhalen krijgen bij hem steeds het karakter van een religieuze bekering, hoewel de literaire voorbeelden die door hem worden aangedragen, zoals het laatste deel van A la recherche du temps perdu van Marcel Proust, of The Winter’s Tale van William Shakespeare, vaak een sterk seculier karakter hebben. Bekering bij hem betekent in de meeste gevallen je bewust worden van de metafysische begeerte en je aan haar meest perfide werkingen weten te onttrekken. Het is niet een klinisch inzicht, maar het is zelf-inclusief, een inzicht dat je eigen leven zal veranderen – vandaar dat grote woord ‘bekering’.
Je zou kunnen zeggen dat Girard gekant is tegen een religie van het succes, een religie van de zelfverwerkelijking in deze wereld, gekant tegen een denkwereld waarin dat wat er werkelijk in het leven toe doet samenvalt met de afgodsbeelden van een geslaagd leven waardoor we onszelf laten betoveren. Je kunt deze begeerte of dit verlangen opvatten als een modaliteit van de ‘wil tot macht’ van Nietzsche, waarbij Girard dan niet uitgaat van een objectgericht verlangen, maar als iets wat relationeel is en het Zijn (de status, de glorie) van modellen en voorbeeldfiguren betreft. Pas met deze relationaliteit komt het potentiaal van rivaliteit en geweld duidelijk in beeld. Als Nietzsche de filosoof van de zelfverwerkelijking is, dan is Girard de filosoof die zicht biedt op de obstakels die je in elk zelfverwerkelijkingstraject op je weg zult tegenkomen – namelijk de anderen, die zich ook willen zelfverwerkelijken in een métier of roeping waar er meer gegadigden dan uitverkorenen zijn.
Met andere woorden, er is in de denkwereld van Girard eigenlijk geen plaats voor gedachtenlijnen die laten zien hoe die metafysische begeerte en alle energie die ze aan kan boren op een goede en menselijke manier tot een geslaagd leven kan leiden als een leven van louter werelds succes. Girard laat een romanschrijver als Dostojevski gunstig afsteken bij Nietzsche en andere hemelbestormers van het Diesseitige, omdat de eerste, zoals in zijn novelle Herinneringen uit het ondergrondse, wél in staat is de armetierigheid van het eigen sociale leven onder ogen te zien op de momenten dat het eigen hoofd zich volblaast met grandioze ideeën en theorieën. In een essay9 over deze twee auteurs heeft Girard de aandacht gevestigd op aforisme 14 uit Nietzsches Morgenrood, getiteld: ‘Betekenis van de waanzin in de geschiedenis der moraliteit.’ Dit aforisme eindigt met berichten uit de ‘wildernis van allerbitterste en overtolligste zielenpijnen waarin waarschijnlijk de vruchtbaarste mensen aller tijden verzucht hebben.’ Het is de moeite waard een passage hieruit aan te halen:
Ach, geeft mij toch waanzin, gij hemelingen! Waanzin, opdat ik eindelijk aan mij zelf geloof! Geeft mij delirium en stuiptrekkingen, plotselinge lichtflitsen en duisternissen, jaagt mij angst aan met kou en hitte zoals nog geen sterveling ooit ondervonden heeft, met gedruis en rondwarende gedaanten, laat mij jammeren en kermen en als een dier kruipen: opdat ik maar geloof vind bij mij zelf! De twijfel vreet mij op […]10
Als de vervulling uitblijft, zoals daar in het leven van Nietzsche sprake van is geweest, is de waanzin nog altijd een van de opties. De waanzin van Nietzsche is iets wat je van verre aan kunt zien komen en in het uiterst onwaarschijnlijke geval dat hij syfilis opgelopen zou hebben is het eigenlijk onnodig daar aandacht aan te besteden. De aforismebundel Morgenrood, waaruit het bovenstaande citaat is genomen, verscheen acht jaar vóór zijn Umnachtung, en ik denk dat het de kern bevat van zijn onmacht te voldoen aan de filosofie die hij zelf probeerde uit de dragen. Het is een onmacht die resoneert in heel veel zielen die zich tekort gedaan voelen in hun intellectuele of artistieke prestaties en die een belangrijk onderdeel is van de psychische malaise in een tijd die geen grote verhalen meer kan inzetten tegen het alles opslorpende monster van het wereldse succes.
Er zit iets demonisch om een uiterst geslaagd mens als voorbeeldfiguur te nemen, en de meest geslaagde mens uit de geschiedenis van de moderne cultuur, waar zowel Nietzsche als Jung door gefascineerd waren, Johann Wolfgang von Goethe, zal dat zelf, getuige zijn laatste psychodrama Faust, op een bepaalde manier ook wel aangevoeld hebben. Het is een zeer curieus verhaal met technische en seksuele zelfverwerkelijkingsprojecten waarbij doden vallen en waarbij een gestalte opdoemt die we met steeds meer instemming herkennen als de duivelskunstenaar, als degene ‘die er echt voor gaat’, die er alles maar dan ook alles voor over heeft de status van groot filosoof, groot wetenschapper, groot kunstenaar te bereiken.
Tegenover de tweevoudige wereld van vervulling dan wel waanzin beginnen we in onze tijd geleidelijk te bewegen naar andere technieken om aan de altijd eindeloos voortwoekerende metafysische verlangens te ontsnappen. Traditionele religies blijken daarin dan opeens over wonderlijk grote reserves te beschikken en mensen bij wie die verlangens een metafysische explosie hebben ondergaan hebben soms al voorproefjes gehad van de ontlediging waar de grote mystici van spreken. Het gaat er niet om succesvolle mensen hun succes te misgunnen en door te gaan nieuwe soorten uit te zetten in de kweekvijver van het ressentiment, maar het gaat erom om vertrouwen te vinden in een levensopvatting waarin je niet met je succes hoeft samen te vallen en er ademruimte is voor de grote meerderheid aan mensen aan wie een groot succes niet vergunt is. Een wereld met alleen maar brandweermannen en astronauten kun je niet draaiende houden.
Metafysische verlangens staan dicht bij de menselijke identiteit, heb ik aan het begin van dit schrijven gezegd, en in de worstelingen met dit eindeloze woekeren kunnen de gedachten juist uitgaan naar mensen die bij ons zijn in de momenten waarin ons self-esteem tot niets verschrompeld is, de momenten waarin we het gevoel hebben volledig mislukt te zijn – wanhoopsmomenten waar zelfs zeer succesvolle mensen aan kunnen lijden. Tegenover vervullingsvisioenen staan ook beelden van waarachtige medemenselijkheid, die kunnen komen uit een wereld waarin hulpverleners, therapeuten en psychiaters zich bewegen, alsook bijvoorbeeld gevangenisbezoekers en vrijwilligers die werken bij een telefonische noodlijn. Het is de wereld van de donkere nachten van de ziel waar Jezus- en Mariaverschijningen mensen doorheen kunnen tillen, en het is ook de wereld van een aantal fragmenten die ik bij Zomergasten in de filmkeuze van Jim van Os op het scherm heb gezien. Je leven leren laten dragen door momenten van waarachtige liefde, serene stilte, verlossing van de kakafonie van het succes, van rustig kunnen zijn als een kat in een vensterbank – daarmee door kunnen gaan ook als de productiemachine van kosmische verklaringsbeelden uit de ether is weggevallen. Moet je een aan zekerheid grenzend geloof hebben in een kosmische vergoedingsmachine die je na je dood gaat belonen voor het moment waarop je een wanhopig mens in de ogen hebt gekeken? Ben je daartoe alleen maar bereid als je aan de achterkant een spirituele kassa hoort rinkelen? Zijn mensen hiertoe alleen maar in staat als ze toevallig een paar uurtjes vrijaf kunnen nemen van hun eigen succesverhalen? Of schuilt er een diepere betekenis in die momenten als we er zo diep door worden geraakt, zelfs in een amusementsprogramma als Zomergasten?
Ik ga eindigen met een passage uit het boek Against Identity: The Wisdom of Escaping the Self (2025) van Alexander Douglas, een driedelig werk waarin naast Girard ook Zhuangzi en Spinoza worden besproken. Het thema is de keuze tussen vervulling en ontlediging. Het volgende fragment gaat over de zondeval bij Spinoza:
Door de terminologie van de zondeval te gaan hanteren, verbindt Spinoza zich impliciet met de notie van een ongevallen staat. Als de zondeval begint met de honger naar identiteit, dan moet de zaligheid ofwel bestaan in het verzadigen van deze honger – een veilige en duurzame identiteit vinden – of aan het ontkomen van de honger – niet langer begeren naar identiteit. Hoewel Spinoza soms speelt met de eerste optie, kiest hij in zijn uiteindelijke filosofische positie voor de tweede. Zaligheid is de weg uit de identiteit, een ontsnapping aan het zelf.11
De hele wereld schreeuwt ons toe dat we in onszelf moeten geloven, en inmiddels leven we in een medialandschap waarin de succesverhalen elkaar in hoog tempo opvolgen. Veel levens worden geheel door succesvisioenen beheerst, en vormen daarmee spiegelbeelden van de meer karikaturale vormen waarin hele levens beheerst worden door alcohol of gokken. Als het lot, de media, de critici, de anderen, net zoals in het leven van Nietzsche, niet willen meewerken aan een als geroepen komende vervulling, en als er, zoals in de filosofie van Nietzsche zelf, geen spirituele wijkruimte meer is voor menselijk falen of mislukking, dan is er altijd nog de optie van de waanzin, de geforceerde indifferentiatie waarin de donkere uitsparing tussen twijfel en zekerheid, verlangen en vervulling gedicht kan worden met een fantasie die de werkelijkheid overneemt.
Succes wordt problematisch wanneer het een sacrale rol krijgt, wanneer een grenzeloze offervaardigheid voor het succes verward wordt met dat wat werkelijk betekenis heeft – deze suggestie kun je ook in Goethes Faust lezen. Ook mensen die een zeker succes hebben bereikt – en Zomergasten is daar 39 jaar lang in Nederland ook een belangrijke graadmeter van geweest – kunnen nog op allerhande wijze derailleren, kijk alleen maar naar de presidenten van de huidige grootmachten. Als ik Jim van Os een hele avond hoor praten, ook over zijn zoon en andere familieleden, als ik hoor dat hij zich na zijn pensioen wil terugtrekken en helpen aan het bouwen van een molen, dan maak ik me wat ontsporen betreft over hem niet al te veel zorgen. Zeker, psychose-achtige ontsporingen zijn ook in zijn toekomst altijd nog mogelijk, maar vooralsnog geef ik hem een gunstige prognose.
7. Het Eureka-fragment is terug te vinden op de DVD Derrida, een documentaire geregisseerd door Kirby Dick en Amy Ziering Kofman. Zie ook het citaat in De overtocht.
8. Een mooi voorbeeld van zo'n proliferatie van modellen vinden we in de psychose van Friedrich Nietzsche. 'Hij was twee toenmalige Franse misdadigers, die onlangs waren berecht in sensationele processen in Parijs, waarover Journal des Débats had bericht. Hij was Graaf Robilant en Antonelli, en had dus onlangs tweemaal zijn eigen begrafenis gezien. Als Victor Emanuel was hij geboren in het Palazzo Carignano en was hij koning van Piemonte geweest toen dat op het toppunt van zijn macht stond. Andere incarnaties waren Boeddha, Alexander de Grote, Caesar, Voltaire, Napoleon, Alexander Herzen en misschien zelfs Richard Wagner. Ooit hing hij aan het kruis. Nu was hij herboren als Dionysus, die een wereld had geschapen.' Lesley Chamberlain, Nietzsche in Turijn: Een intieme biografie, Amsterdam: Atlas, 2000.
9. 'Strategies of Madness - Nietzsche, Wagner, and Dostoevski', in To Double Business Bound, Johns Hopkins University Press, 1978, p.61-83.
10. Friedrich Nietzsche, Morgenrood, De Arbeiderspers, 1977. De vertaling is van Pé Hawinkiels.
11. Alexander Douglas, Against Identity: The Wisdom of Escaping the Self . Allen Lane, 2025, p.107.
Volgens literatuurhistorici schreef hij de eerste autobiografie ooit, in elke filosofiegeschiedenis geldt hij als een van de belangrijkste, zo niet dé belangrijkste filosoof van de laatantieke tijd, en door elke kenner van mystieke tradities wordt hij als een belangrijk mysticus erkend. En de kerk? Voor de kerk is hij een heilige, hoewel het canonisatieproces nog niet bestond toen hij stierf. Wie is deze grootheid? En waarom heeft hij het nodig gevonden ons uitgebreid op de hoogte te stellen van de peren die hij een keer in zijn jeugdjaren had gestolen?
Kanttekeningen bij Augustinus
We hebben het over Sint Augustinus, de rusteloze zoeker naar God, wiens woorden tot in de Dominicusgezangen zijn doorgedrongen – veel te laat heb ik U lief gekregen, schoonheid wat ben je oud wat ben je nieuw… Theologen worstelen wat met hem af, want hoewel hij de kerk in de nog prille jaren van het christendom overwegend de goede kant heeft opgeduwd, zijn er volgens een aantal theologen desalniettemin diverse onvolkomenheden in zijn inzichten aan te wijzen.
De laatste tijd ben ik de nodige kanttekeningen bij Augustinus tegengekomen, en degene die ik hier naar voren wil halen komt uit de bundel De nacht van de biechtvader van Tomáš Halík. Deze schrijft: “Bij het lezen van veel teksten waarin Augustinus het wezen van de ‘erfzonde’ aanduidt met het woord concupiscentia, ‘lust’, kan een psychologisch geschoolde lezer moeilijk aan de indruk ontkomen dat hier de persoonlijke problemen van de auteur, diens niet verwerkte dwangmatige neurotische houding tegenover seksualiteit en zijn eigen erotische verleden hun schaduw werpen.”
Tomáš Halík is een Tsjechische theoloog die ook een aantal jaren als psychotherapeut heeft gewerkt. Psychotherapeuten en biechtvaders weten dat het hart een moordkuil kan zijn en ook dat zeer intensieve heilservaringen nogal eens verward kunnen worden met filosofische en theologische inzichten. Oppassen geblazen dus bij dergelijke getroebleerde zielen!
Inderdaad heeft Augustinus er – zoals overigens heel wat andere heiligen – alvorens bekeerd te worden er behoorlijk op los geleefd. Seks, drugs and rock & roll. Onverbeterlijk is zijn bede: ‘Heer, geef mij kuisheid en zelfbeheersing, maar nu nog niet!’ Maar over dat woord concupiscentia, dat Halík hier direct met ‘lust’ vertaald, valt wel wat meer te zeggen.
Augustinus aan het werk in zijn studeerkamer, frescoschildering van Sandro Botticelli uit 1480.
Concupiscentia
Meestal wordt het woord ‘concupiscentia’ als ‘begeerte’ vertaald, wat al minder bezwaarlijk klinkt als ‘lust’. ‘Begeerte’ is niet helemaal neutraal, zoals ‘verlangen’, maar kan ook iets goeds betreffen, zoals bij de wijsgeer, die aan wijsbegeerte doet.
Maar belangrijker is dat Augustinus zich niet puur en alleen beklaagt over seksuele lust of begeerte, maar dat hij drie probleemvelden markeert die hij aanduidt als 1) de begeerte van de ogen, 2) de begeerte van het vlees en 3) de hoogmoed van het leven – of in het Latijn: concupiscentia oculorum, concupiscentia carnis en superba vitae.
Mensen zijn nieuwsgierig en laten zich betoveren door alles wat maar aandacht trekt, roddel en achterklap, stompzinnige tv-programma’s, domme computerspelletjes – dat is de ‘begeerte van de ogen’. Het verzwakt je concentratie, het verstrooit je, het doet je de tijd in ledigheid doorbrengen. Dat is numero één.
Daarnaast hebben we de ‘begeerte van het vlees’, dat inderdaad het probleemveld is waar de seksualiteit onder valt. Maar ik zou het zeker breder nemen en ook denken aan vraatzucht, geldzucht, impulsieve woede en andere vormen van ongeleid-projectielen- gedrag.
Dan, als numéro 3, is er de ‘hoogmoed van het leven’. Daarbij gaat hem om de drang naar status en prestige, naar aandacht en bewondering van anderen. Een man of vrouw van de wereld menen te zijn, daarom bewonderd en geëerd willen worden. Farizeeën waren er goed in.
Perendiefstal
En dan nu de vraag: door welke van deze drie strevingen was de perendiefstal gemotiveerd? In een artikeltje van Jona Lendering op internet onder de titel ‘De perenboom van Augustinus’ vond ik de volgende tekst: “Wat ik echter vreemd vind, is dat Augustinus vele jaren na de gebeurtenissen, toen hij al midden veertig was, er nog steeds oprecht ontdaan door lijkt te zijn. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit over de diefstal van sesamkoekjes op winkelcentrum Anklaar in Apeldoorn zal schrijven dat het schandelijk was, dat ik ervan hield, dat ik hield van ten gronde gaan, dat ik mijn ondergang beminde. Augustinus heeft voor zulk exuberant rouwbeklag genoeg aan een perelaar.”
Laten we een close reading oefening doen in het tweede hoofdstuk van Augustinus’ Belijdenissen waar je het perenverhaal kunt vinden. En laten we beginnen met de ‘begeerte van de ogen’. Verveelde Augustinus zich die middag toen hij met zijn vriendjes langs een boomgaard liep? Zochten zij misschien naar wat vermaak? Wat voor kattenkwaad zullen we eens uit gaan halen: fikkie steken, portemonneetje trekken of een paar peren jatten bij de buurman? Nou nee… dat was het niet.
Werd hij dan gekweld door een verschrikkelijke honger? Of een verschrikkelijke ‘lust’, om dat woord nog maar een keer te gebruiken? Had hij ontzettend veel zin in iets lekkers en kon hij zich niet bedwingen toen hij die prachtige grote peren daar aan die perenboom zag hangen? Dit is de kern van het bekende Nederlandse moralistische gedicht van Hieronimus van Alphen. Jantje zag eens pruimen hangen, als eieren zo groot. Mmm, lekker… hij kon zich bijna niet bedwingen.
Maar ook dat was niet het motief. Dus, waarom in godsnaam had Augustinus dan die peren gestolen? De enige van de drie probleemvelden die nog overgebleven is, is de superba vitae, en het is in die richting dat Augustinus, onverbiddelijke waarheidsvorser die hij is, naar het uiteindelijke antwoord zoekt: ‘Dit is wel zeker: op mijn eentje zou ik het niet gedaan hebben; dat weet ik nog wel van mijn toenmalige stemming: op mijn eentje zou ik het beslist niet gedaan hebben! Wat ik daar liefhad was dus ook de kameraadschap met degenen in wier gezelschap ik die diefstal bedreef.’
In plaats van meteen te roepen: het was niet mijn idee! zij, hullie daar, de anderen, die rotzakken om me heen hebben me op het foute spoor gezet! – probeert Augustinus te begrijpen waarom die kameraadschap voor hem op dat moment belangrijker was dan het overduidelijke morele besef dat je de peren aan een boom die niet van jou is er gewoon aan moet laten hangen. God help mij! – vraagt Augustinus, waarom heb ik het dan tóch gedaan? Welk genot dreef mij om dit te doen? Wat anders kon het zijn dan, zoals hij zegt, ‘de kameraadschap van mensen die samen zondigen’?
Rusteloos zoeken, zo inderdaad kun je Augustinus geworstel met de ware toedracht van zijn perendelict beschrijven. Hij tast en zoekt, hij denkt in een bepaalde richting, maar hij komt er niet helemaal uit. Op het eind vraagt hij aan God: ‘Wie ontwart dat vreemde gekronkelde, aller ingewikkeldste kluwen? Het is iets afzichtelijks: ik wil er niet naar kijken, ik wil het niet zien.’
Open zenuw
In zijn onverbiddelijke zelfonderzoek en zijn bereidheid de volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen raakt Augustinus in zijn bekentenis van de perendiefstal een open zenuw. Natuurlijk moeten we onze primaire driften onder controle krijgen, volwassen worden, een kinderlijk direct egoïsme achter ons laten – maar veel belangrijker is dat we leren omgaan met dit kronkelende, veelkoppige monster, dit aller ingewikkeldste kluwen.
Waarom leest iedereen hier steeds over heen? Over Augustinus niet te misverstane kritiek op hoe we de oren kunnen laten hangen naar het oordeel van anderen? Waartoe we allemaal niet bereid zijn om een wit voetje bij anderen te krijgen? Hoe zorgvuldig we kunnen zwijgen als we in een groep iets zien gebeuren waar we echt niet achter staan? Ja, waarom kijken we steeds naar die peren, en zien we het probleem van de sociale druk niet, het probleem waar het hier over gaat? Hoe ontkom je daaraan zonder hulp van boven, zonder genade?
Er is een ander kinderverhaal dat al iets verder gaat dan het stelen van een paar peren. In een autobiografisch geschrift vertelt Albert Schweitzer hoe een vriendje hem met een katapult leert omgaan, en hem later meeneemt om vogeltjes dood te schieten. Ook Schweitzer zegt dat hij dat helemaal niet wil, en dat hij toch meegaat omdat hij bang is uitgelachen te worden. Dan, op het kritische moment, beginnen de klokken van de kerk te luiden, gooit hij zijn katapult in de bosjes en ontkiemt in hem de leefregel: ‘Eerbied voor het leven’.
En dat was alleen nog maar een katapult. Er zijn nog meer verhalen, met dolken en bajonetten en waarbij de klokken te laat luiden of helemaal niet meer in het verhaal kunnen binnendringen. Waarom is het zo moeilijk op het rechte pad te blijven als mensen die een afslag nemen je gaan uitlachen of bespotten? Wie ontwart dat vreemde gekronkelde, aller ingewikkeldste kluwen?
‘Moeten wij echt zo’n, eh, audio-dinges meenemen?’ Een behoorlijk aantal mensen dat het Museum van de Geest bezoekt heeft het er niet zo op. Zo’n ding op je hoofd, en dan iemand die steeds tegen je aan zit te praten… En eerlijk gezegd, ik heb het er zelf ook niet zo op en heb nog genoeg ouderwetsigheid in me om te verlangen naar uitgebreide teksten op de muur of een boekje waar alles duidelijk in staat.
‘In het museum vind u niet zo heel veel informatie,’ zeg ik dan als publieksmedewerker. ‘De achtergrondverhalen kunt u op dit apparaat beluisteren. Of lezen, want u kunt hem ook op de leesstand zetten.’ De meesten gaan dan wel om, maar blijft iemand dan toch nog twijfelen, dan zet ik meestal de broodtrommel van Egbert Tellegen in.
‘Bijvoorbeeld, halverwege het museum,’ zeg ik dan, ‘ziet u een vitrine met daarin een broodtrommel en wat schriftjes. Eigenlijk is daar helemaal niets aan te zien, maar het verhaal erachter is fascinerend! Het is mijn favoriete collectiestuk.’ Als ik iemand echt nieuwsgierig heb weten te maken en als diegene ook nog een beetje de tijd heeft, dan begin ik aan de balie al het verhaal te vertellen.
De psychose van Egbert Tellegen is in 1960 eigenlijk begonnen met een op hol geslagen schrijfproces. Hij zat in zijn studententijd, en op zich ging alles best wel goed. Maar dat schrijven, waarin hij afstand van zichzelf begon te nemen en kritisch naar alles ging kijken, nam hem helemaal mee. Op een gegeven moment was er geen houden meer aan. Hij is opgenomen geweest en heeft een elektroshock-behandeling ondergaan. Zijn psychiater was in het geheel niet in zijn schrijfsels geïnteresseerd en toen hij later zijn leven weer oppakte dacht hij aanvankelijk dat zijn schriftjes verloren waren gegaan.
Dan, negen jaar later, als zijn ouders vragen of hij de spullen die van hem zijn en die nog op zolder liggen mee wil nemen, vindt hij zijn schriftjes in een broodtrommel terug. Hij is daar ontzettend blij mee. Hij noemt het ‘een explosie van zelfinzicht’ en hij is er zelfs toe overgegaan de inhoud van die schriftjes te publiceren.
In een ander boek schrijft Egbert Tellegen over zijn psychose: ‘Het is alsof mijn zingevingsvragen zich in een put bevinden, waarop ik een deksel heb gelegd. Maar ik kan iemand anders niet verwijten dat die de deksel wel optilt en wel antwoorden wil vinden op vragen die wat mij betreft onbeantwoord mogen blijven. En ik kan mijzelf van vijftig jaar geleden ook niet verwijten dat ik geen genoegen nam met het schrale, geseculariseerde wereldbeeld van mijn psychiater van toen. […] Ik kan wel van mystiek en religie afzien, maar een psychiater moet mystieke en religieuze ervaringen van patiënten wel serieus nemen.’
Het is bij Jean-Paul Sartre dat ik gelezen heb: ‘Ik heb al mijn gevoeligheid in intelligentie omgezet.’ En intelligentie moet je dan niet zien als het uitgerust zijn met grote cognitieve krachten, maar meer met een basale slagvaardigheid, een slim- of desnoods sluwheid, geestelijke kracht om door te zetten en iets voor elkaar te krijgen. Ik herinner me dat deze uitspraak me destijds pijnlijk trof, omdat ik wist dat ik iemand was in wie de nodige gevoeligheid rond was blijven hangen, dat er zoiets was als een gevoeligheid in me die zich niet onmiddellijk liet converteren.
In mijn allereerste Bericht uit het Dolhuis heb ik geschreven over een tentoonstelling in het Museum van de Geest over de Tweede Wereldoorlog en het drama van het Apeldoornsche Bosch, waar in januari 1943 meer dan 1.300 joodse zwakzinnigen en psychiatrische patiënten met de nodige personeelsleden naar Westerbork zijn afgevoerd. In de portretten van een van hen kwam ik de opmerking tegen: ‘Ik wil bij mijn mensen blijven’, hetgeen me onmiddellijk aan Het verstoorde leven van Etty Hillesum deed denken.
Wat ik toen nog niet wist was dat Mischa Hillesum, de jongste broer van Etty, ook in het Apeldoornsche Bosch heeft gezeten. Een aantal weken geleden ben ik naar het herinneringscentrum aldaar geweest en trof op een van de zuilen Etty en Mischa naast elkaar aan – zij, met helder wordende ogen van iemand die krachten aan het winnen is, en hij in wie misschien altijd een nauwelijks leefbare hoeveelheid gevoeligheid zou blijven rondhangen.
Wat er van hen geworden zou zijn zullen we nooit weten want de hele familie is in 1943 in Auschwitz omgekomen. Mischa zou geen kans krijgen een groot pianist te worden omdat hij joods was en net als Etty met zijn familie naar het vernietigingskamp is afgevoerd. Maar we weten ook niet was zijn kansen waren geweest als dit lot hem bespaard was gebleven. In Apeldoorn was de strijd tegen zijn hardnekkige gevoeligheid al met een shockkuur opgestart. Zou het vervolgen van die kuur zijn leven leefbaar hebben kunnen makent? In ieder geval tastten de shocks zijn muzikale gevoel aan.
Sartre zou in deze foto’s een paar van zijn spookbeelden zien: iemand die liever knielt dan protesteert naast een kansloos hypertalent. Ik zie vooral een broer naast een zus. Wat ziet u?
Over Mischa Hillesum is het boek Mischa’s spel en de ondergang van de familie Hillesum van Jan Regenhardt verschenen, die in een podcast over hem vertelt. Mischa komt ook voor in de tv-serie Etty (met name in deel 2). Van zijn hand zijn twee pianosonates bewaard gebleven die in AVROTROS Klassiek door Marianne Boer zijn uitgevoerd.
Als ik het me goed herinner was het op de Documenta in Kassel waar ik een schilderij heb gezien met een paar gele vlekken waarnaast de tekst stond geschilderd: ‘Gebakken eieren zijn voor mij wat de Madeleine was voor Marcel Proust.’ Kent u de zogenaamde onwillekeurige herinnering van Proust? Je proeft iets, je ruikt iets en opeens is het alsof een deur naar het verleden openzwaait, alsof je weer helemaal terug bent in iets wat van jou is en wat dan ook nog eens bijzonder mooi blijkt te zijn.
Het bijzondere van het lezen in de romancyclus van Marcel Proust is dat je niet zozeer de ervaringen van de schrijver herkent, maar dat de roman gelijksoortige ervaringen in jou opwekt, met beelden en geuren uit jouw eigen verleden. Dat kan te maken hebben met iets dat je in je jeugd gegeten of gedronken hebt, maar kan ook iets heel anders zijn. Maarten van Buuren schrijft in zijn boek De essentie Proust over hoe bij hem een jeugdherinnering binnen komt stromen na de geur van nat wasgoed te hebben geroken in een straat waar een ontluchtingsbuis op uitkwam. ‘Het magische wasgoed,’ schrijft van Buuren, ‘vervoerde me na even nadenken en in een toenemend gevoel van geluk naar de kleine woonkamer van een bovenhuis in Maassluis waar ik de eerste jaren van mijn leven heb doorgebracht.’
Een vergelijkbare magie werkte op mij in bij het kijken naar de afbeeldingen van Louis DeMarco op de tentoonstelling Outside In – Inside Out. Er hangen van hem twee prenten met de titels Louis’ Eye en Louis’ Ear die ongeveer hetzelfde verhaal uitbeelden, het ene met beelden, het andere met geluiden. In het oog zit een ‘ocular spurcamen’ en in het oor zit een ‘auditory spurcamen’ die allebei de negatieve beelden of geluiden wegfilteren.
Bono en de gitaar zouden er bij mij ook wel doorheen komen, maar daarnaast ook het ruisen van de zee en het zingen van de vogels (merels en kleine vogeltjes, het geschreeuw van meeuwen zou ik weer wegfilteren). Iedereen kan zijn of haar auditorium maken en zonder zware filosofie of psychoanalyse speels een aantal facetten van de eigen ziel in kaart brengen.
De twee schilderijen van Louis DeMarco zijn te zien op de tentoonstelling Outside In – Inside Out die loopt tot 8 augustus 2026. In het Museum van de Geest hangt van dezelfde kunstenaar ‘De Relatiemeter‘. Begin oktober zal het Museum van de Geest een pop-up locatie openen voor Outsider Art in de Vleeshal in Haarlem.
Bij de tentoonstelling Outside In – Inside Out waren de schilderijen van Jan Endeveld eigenlijk de enigen die me echt aan Kunst deden denken. Het bracht een herinnering naar boven uit mijn puberteit, een herinnering aan een gesprek met mijn tekenleraar. Hij had een zijden sjaaltje om en was joviaal naast me neergezegen in het gras. Hij had ook altijd een baret bij zich, maar die durfde hij nooit op zijn hoofd te zetten zodat je die steeds opgerold onder een schouderbandje op zijn overhemd zag zitten.
We kregen het over de platenhoezen die ik mooi vond (Yes, Pink Floyd, Led Zeppelin) en hij vertelde me dat dat geen Kunstwerken waren maar illustraties. Hij leek te spreken met een bepaald soort gezag. Het zijn geen Kunstenaars die die hoezen ontwerpen, proclameerde hij, maar illustrators. Kunstenaars zijn Origineel, zijn Anders dan anderen en breng Iets Nieuws in de wereld. Illustrators maken alleen maar mooie plaatjes.
Ik heb nog wel wat tegengesputterd, maar het was een discussie waarin ik roemloos ten onder ben gegaan: over Kunst viel met mijn tekenleraar niet te twisten. Zijn opmerking even later ‘dat er hele goede illustrators zijn’ voelde als een suffe troostprijs, alsof ik aan het Banket van de Kunst als bedelaar wat broodkorstjes toegeworpen kreeg.
Wat ik in de loop der jaren van me af heb weten te schudden is het snobistische verlangen bij een of andere avant-garde club te horen. Als ik nu een groepje mensen met sjaaltjes en baretten door de straten zie lopen, dan denk ik: ‘kijk, daar gaan de leden van de avant-garde, op weg naar Daar Waar Het Werkelijk Gebeurt.’ Wellicht resoneert er nog een restje ressentiment als ik dit zeg, maar kom maar op met die stomme sjaaltjes en baretten! Strik ze maar om, zet ze maar op je hoofd, het kan me echt niks meer schelen!
Als je een avantgardistische kunstenaar bent en Iets Nieuws in de wereld wil brengen, dan mág dat van mij, dan wil ik best een biertje met je gaan drinken. En ook met serieuze ogen kijken naar wat je maakt. En je een compliment geven als ik het mooi vind – ook als het op Kunst lijkt, want ik heb niks tegen Kunst. Maar als je een baret op zet dan schiet ik waarschijnlijk in de lach, en als je dan boos wordt dan moet je maar weer doorlopen.
Ja, sorry Jan, dit verhaal kwam tijdens het kijken naar je schilderij bij me naar boven. Ik vind het echt mooi, en ik vind het ook echt op Kunst lijken. Ik denk niet dat mijn verhaal iets met jou te maken heeft, en ik weet verder ook niet wie je bent, maar ik wilde het toch vertellen. Als ik je tegenkom zal ik je vragen of je we samen een biertje kunnen gaan drinken.
Op de tentoonstelling Outside In – Inside Out zag ik twee schilderijen van Jan Endeveld. Jan Endeveld heeft eerder geëxposeerd in het voormalige Amsterdamse Outsider Art-filiaal van het Museum van de Geest. Begin oktober zal het Museum van de Geest een pop-up locatie openen voor Outsider Art in de Vleeshal in Haarlem.
‘Dragende grond’ is een metafoor die regelmatig terugkeert in spirituele literatuur. Wat deze metafoor uitdraagt is dat het alledaagse besef, het ego of het subject, niet in zichzelf rust maar gegrond is in iets groters. ‘Dragende grond’ is ook een goede vertaling van het filosofische begrip ‘hypokeimenon‘ (Grieks) of ‘subiectum’ (Latijn), dat de aandacht heeft getrokken van de filosoof Marc De Kesel. In zijn beschouwingen laat hij de moderniteit beginnen met een hersituering van het subject, dat dan niet meer in God gegrond is, maar in zichzelf en daarmee ook grondeloos is geworden. De belangrijkste begeleidende filosofische geste is het Cogito van René Descartes dat zich grondt in het zelfbesef als overwinning op een radicale twijfel.
Bij de Too Mad To Be True (IV)-conferentie in Gent heb ik een presentatie gegeven over het ego en de dragende grond in psychose en spiritualiteit. Op deze website heb ik een uitgeschreven versie van deze presentatie geplaatst (in het Engels), alsmede een serie spin-offs die tijdens het werken aan en nabeschouwen van de presentatie bij me opkwamen.
Spin-off 1: Descartes en de naakte koning. Een verkenning van het thema ‘waanblindheid’ als het onvermogen überhaupt betekenissen waar te nemen in uitingen van mensen in psychotische staat.
Spin-off 2:De ‘dragende grond’ in een paar liederen van Huub Oosterhuis. Als metafoor keert de dragende grond terug in talloze religieuze en spirituele contexten. Ik geef hier een paar voorbeelden uit de liederen van Huub Oosterhuis die teruggaan op Bijbelteksten.
Spin-off 3:Nogmaals Descartes en Jung. Het verschil tussen Jung en Descartes wordt verder uitgewerkt aan de hand van een tekst van Gil Bailie. Ook worden verdere gedachten ontwikkeld over de mogelijke gidsrol van de psychiater en hoe een strakke rationele houding die rol in de weg staan.
In zijn De geschiedenis van de waanzin beschrijft de kritische filosoof Michel Foucault hoe de waanzinnigen, mensen die in de Renaissance nog deel uit konden maken van de samenleving, in de klassieke tijd, dat wil zeggen vanaf het midden van de 17de eeuw, in gestichten werden opgesloten. Het roemruchte hoofdstuk uit zijn boek hierover draagt de titel ‘De grote opsluiting’. Het is iets wat zich in veel West-Europese landen heeft voltrokken, en wat in die landen ook het geval was, was dat aan randen van de steden de interneringshuizen vaak al klaarstonden.
Waar we het over hebben zijn de leprozerieën of melaatsenkolonies die aan het eind van de middeleeuwen leeg kwamen te staan. Het waren de plaatsen buiten de stad waar de mensen huisden met verminkingen aan hun handen of voeten en blaasjes op hun gezicht of over hun hele lichaam. De ziekte waaraan deze mensen leden was meestal lepra, maar zo nauwkeurig was de diagnostiek in de Middeleeuwen nog niet zodat je ook met andere huidziekten in deze kolonies terecht kon komen.
Op de foto zie je de poort in Amsterdam die toegang gaf tot zo’n leprozerie. Boven deze leprozenpoort staat aan de linkerkant een man met een hoed die in zijn rechterhand een klepper draagt waarmee de melaatsen hun aanwezigheid moesten aankondigen.
Ook het gebouw waarin in Haarlem het Museum van de Geest gevestigd is maakt deel uit van deze geschiedenis. Het ligt buiten de oude stad, je moet aan de achterkant van het station uitstappen om er te komen. Het gebouw bleek steeds weer ingezet te kunnen worden voor andere groepen mensen die opgevangen of, zoals Foucault zou zeggen, opgesloten moesten worden: pestlijders, waanzinnigen, prostituees met syfilis en helemaal aan het begin, inderdaad de melaatsen. Het was een wijkplaats voor mensen die niet welkom waren als permanente bewoner binnen de stadsmuren. Van de klepper wordt in het museum nog een origineel exemplaar tentoongesteld.
Afbeelding: Leprozenpoort bij de Sint-Antoniussluis in Amsterdam
Bailie, Gil (2023), The Apocalypse of the Sovereign Self: Recoveribng the Christian Mystery of personhood. New York: Angelico Press.
De Kesel, Marc (2010). Goden Breken: Essay over monotheïsme. Amsterdam: Boom, 2010.
De Kesel, Marc (2019). Het münchhausen-paradigma: Waarom Freud & Lacan ertoe doen. Gent: Vantilt, 2019.
De Kesel, Marc (2021). Ik, God & mezelf: Mystiek als deconstructie. Amsterdam: Sjibollet, 2021.
De Kesel, Marc (2017). Zelfloos: De mystieke afgrond van het moderne ik. Utrecht: Kok, 2017.
Derrida, Jacques (1967). Writing and Difference. Vertaling: Alan Bass. London: Routledge & Kegan Paul.
Descartes, René (1649), De passies van de ziel. Vertaling: Th. Verbeek. Groningen: Historische uitgeverij, 2008.
Descartes, René (1642), Meditaties. Vertaling: Wim van Dooren. Meppel/Amsterdam: Boom, 1996
Descartes, René (1637), Over de Methode. Vertaling Th. Verbeek: Meppel/Amsterdam: Boom, 1977.
Dessaur, C.I. (1982), De droom der rede: Het mensbeeld in de sociale wetenschappen. Den Haag: Martinus Nijhoff, 1982.
Foucault, Michel (1961), Geschiedenis van de waanzin. Vertaling C.P. Heering-Moorman. Amsterdam: Boom, 2013.
Heidegger, Martin (2001) Off the Beaten Track. (Holzwege) Vertaling: Hulian Young en Kenneth Haynes. Cambridge: Cambridge University Press, 2001.
Jäger, Willigis (2011), Eeuwige wijsheid. Editors Ursula Richard and Christa Spannbauer. München: Kösel-Verlag, 2011.
Jung, Carl Gustav (1961), Herinneringen Dromen Gedachten. Rotterdam: Leminiscaat, 1992.
Kleinberg, Ethan (1999). ‘Ethics Beyond the Body: Descartes and Heidegger in Emmanuel Levinas’s Totality and Infinity.’ Paroles gelées, 17(2).
Lawtoo, Nidesh (2022). Homo Mimeticus: Een geschiedenis van ons kopieergedrag. (Homo Mimeticus: A New Theory of Imitation) Vertaling: Daan Savert en Berry Vorstenbosch. Noordboek, 2025.
Nadler, Stephen (1997). ‘Descartes’s Demon and the Madness of Don Quixote’, Journal of the History of Ideas, University of Pennsylvania Press, Vol. 58, No. 1 (Jan., 1997), pp. 41-55.
Nadler, Stephen (2023). Descartes: The Renewal of Philosophy. Londen: Reaktion Books, 2023.
Oughourlian, Jean-Michel (2016). The Mimetic Brain. East Lansing: Michigan State University Press.
Sips, Anneke (2026), Wisdom of Psychosis: Navigating the Intelligence of Altered States. Terrapy Press, 2026.
Taylor, Charles (1989), Sources of the Self: The Making of Modern Identity. Harvard Univeristy Press, 1989.
Taylor, Charles (2007). A Secular Age. Harvard Univeristy Press, 2018.
Van den Berg, J.H. (1995), Metabletica van God. Kapellen: Pelckmans, 1995.
Vorstenbosch, Berry (2022), De overtocht: Filsofische blik op een psychose. Amsterdam: Lontano, 2022.