Dit is een tweede spin-off van mijn presentatie bij de TMTBT van 14 en 15 mei 2026 in Gent. Het is een meditatie over het hypokeimenon of de ‘dragende grond’ in een drietal liederen van Huub Oosterhuis.
1.
Ooit hoorde ik de grote Nederlandse criticus Kees Fens in een interview zeggen: ‘Met die liederen van Huub Oosterhuis, daar heb ik helemaal niks mee.’ Ik snapte hem wel, en op een bepaalde manier had ik dat ook. In de tijd dat ik nog Engels studeerde en regelmatig in de Volkskrant lange stukken van Kees Fens las heb ik geen innige band met de liederen van Oosterhuis opgebouwd. Ik kwam ze af en toe wel tegen, maar ze deden me niet zoveel en slaagden er niet in, als ik dat zo mag zeggen, mijn op een fijnbesnaard esthetisch vermogen afgestemde aandacht te rekken. Ik las veel literatuur, vond er van alles van, en de gedichten van Huub Oosterhuis hebben mij niet speciaal bekoord.
Evenwel is daar ruim vijfentwintig jaar geleden verandering in gekomen sinds ik na de ontmoeting met mijn lieve vrouw Inge deel ben gaan deelnemen aan de vieringen in de Dominicuskerk. Ik denk dat ik het corpus teksten van Oosterhuis inniger ken dan het oeuvre van welke dichter dan ook. Toch is het niet correct te zeggen dat ik ze langzamerhand ‘mooi’ ben gaan vinden alhoewel dat hier en daar en af en toe door een vergrootte aandacht en ook door de vele herhalingen best wel het geval mag zijn. De teksten van Oosterhuis zijn voor mij geen gedichten die ik lees zoals ik andere gedichten lees, andere gedichten die ik weer met nog weer andere gedichten vergelijk, zodat ik van deze of gene dichter kan zeggen dat ik zijn werk bewonder. Nee, ik heb een heel andere verhouding gekregen tot de teksten van Oosterhuis – en dat wil ik aan het einde van deze spin-off verder toelichten.
2.
Waar ik het over wil hebben is over de ‘dragende grond’, of in een christelijke context, het beeld van God als ‘drager’. Het is een beeld dat je op verschillende plaatsen in de liederen van Oosterhuis tegenkomt. Het is een beeld dat ook in de Bijbel voorkomt en dat ook regelmatig terugkeert in andere, met name mystieke gedichten. De ‘drager’, ‘dat wat draagt’, ‘de dragende grond’ kun je zien als een metafoor, als een poëtisch beeld van ervaringen waarin een gunstige wending in een crisis worden opgeroepen. De context kan christelijk zijn, maar is dat niet noodzakelijk. De ervaring gevallen te zijn, uit elkaar te vallen, en in alle verwarring, pijn en chaos opgevangen te worden is tot op zekere hoogte universeel en zoekt in elke taal naar passende beelden. De dragende grond is er één van.
‘Dragende grond’, ‘dat wat draagt’ is ook een goede vertaling van het Griekse woord ‘hypokeimenon’. Dit woord is oorspronkelijk aangedragen door Aristoteles in een grammaticale context. Het hypokeimenon is het ‘onder-liggende’, dat wat onder alles ligt, het ‘onder-werp’ van een zin of een betoog. De Latijnse vertaling van ‘hypokeimenon’ is ‘subiectum’, en we zien het woord ‘subject’ dagelijks als titel terugkeren naast het invulvak als we een mailtje schrijven. In de filosofie heeft deze grammaticale term een ontologische betekenis gekregen – het is een beeld dat je kunt uitbreiden naar religie, metafysica, psychologie. Met het ‘uiteenvallen’ en ‘opgevangen worden’ door íets is dit religieus geworden woord ook verbonden met de ervaring, met name ervaringen van grondverlies, ontgronding.
Als we filosofische boeken openslaan komen we vaak uit bij scherpe conceptuele afbakeningen, maar het beeld van de ‘dragende grond’ zelf kun je als heel vloeibaar zien, als iets dat rondwaart in een poëtisch fluïdum dat zich op allerlei manieren met ervaringen kan verbinden. Ik ben uit elkaar gevallen en ik ben opgevangen bij de eerste hulp, ik ben opgevangen door mijn familie – ik weet niet wat het is, waardoor ik opgevangen ben, maar op een gegeven moment voelde ik me weer een beetje tegen mijn problemen opgewassen, voelde ik me weer een beetje tot mezelf terugkeren. Datgene wat er nog blijkt te zijn als je er zelf niet meer bent, als je buiten jezelf bent, als je het echt niet meer weet, wat zowel mystiek als concreet kan zijn – vervoegt zich relatief gemakkelijk in beelden van dragerschap, draagkracht, draagvlak.
3.
Ik ga nu een paar voorbeelden geven uit de liederen van Huub Oosterhuis waarin dit beeld voorkomt. Het eerste komt uit het lied ‘Gij die weet wat in mensen omgaat’. Een van de belangrijkere basisteksten onder dit lied is psalm 139 waarin tegenover een conceptuele alomtegenwoordigheid de ervaringen worden verklankt van een God die je overal kunt tegenkomen. De dragende grond zelf is niet als beeld in de psalm te vinden, en zelfs ook maar zijdelings in de hertaling van Huub Oosterhuis. Maar toch komen de laatste regels in de volgende strofe bij het hypokeimenon aan.
Gij toetst ons hart
en gij zijt groter dan ons hart.
Op elk van ons houdt Gij uw oog gericht.
En niemand, of hij heeft een naam bij U.
En niemand valt of hij valt in uw handen
en niemand leeft of hij leeft naar U toe.
Het hypokeimenon vertoont zich hier in een christelijke gedaante, met een theïstische ondergrond. Bij mij persoonlijk zijn de resonanties heel groot omdat ik de ervaring heb door God uit een psychose gered te zijn. Daarmee resoneert mijn ervaring met allerlei andere ervaringen waarin mensen soelaas hebben gevonden in God. Hier is God de dragende grond, het hypokeimenon en sluit aan bij de ondergrond in het schrijven en denken van Meister Eckhart, zoals beschreven door Marc De Kesel in zijn boek Zelfloos: De mystieke afgrond van het moderne ik.
Met ervaringen zoals opgeroepen in een lied als dit zijn er natuurlijke talloze contrastervaringen. Mensen kunnen over een crisis spreken en het gevoel hebben helemaal niet door God opgevangen te zijn geworden. Tegenover het geruststellende beeld van een eindeloos vangnet staat de vertwijfelde vraag: ‘Waar was u?’ Mensen die niets van religie moeten hebben halen bij een lied als dit misschien hun schouders op, of lezen er een typisch monotheïstisch bemoeizucht in, terwijl anderen die wel met religie leven en misschien zelfs kerkgaan zich niettemin kunnen ergeren aan deze al te geruststellende tekst. Het contrapunt bevindt natuurlijk ook al in de Bijbel zelf in de manier waarop in andere teksten, met name ook weer in het boek Psalmen, ervaringen van pure wanhoop en godsverlatenheid worden opgeroepen. De gedachte dat God er ook is in de godsverlatenheid is een duizelingwekkende gedachte die we met name in de Goede Week even aanraken.
*****
Ik ga over naar het volgende voorbeeld waarin het dragen niet zo zeer op de grond plaats vindt, maar in de lucht. Het is beeld van een adelaar die zijn jongen leert vliegen:
Die mij droeg op adelaars vleugels.
Die mij hebt geworpen in de ruimte,
En als ik krijsend viel mij ondervangen
Met uw wieken en weer opgegooid,
Totdat ik vliegen kon
Op eigen kracht
De hoofdstukken waarin dit beeld is terug te vinden zijn Exodus 19 en Deuronomium 32. In plaats van solide fundamenten om het huis van je ego op te bouwen, in plaats van een vaste en blijvende grond – vinden we hier het beeld van het ouderschap. Als we jong zijn worden we gedragen door onze ouders of opvoeders, soms letterlijk, fysiek. En vóór onze geboorte worden we gedragen in de schoot van onze moeder. De draagmetafoor wordt in de lied verbonden met het immense veld van het ouderlijke, moederlijke dragen vanwaaruit zich een ego kan gaan vormen maar er nog niet hoeft te zijn.
Het is juist bij een lied van Huub Oosterhuis dat het hypokeimenon zich onmiddellijk aandient. Als je in de boekenwinkel rondkijkt en je pakt een dichtbundel ter hand en je leest de eerste woorden ‘Die mij droeg’ dan heb je nog geen flauw benul van waar het gedicht over zal gaan. Je zult verder moeten lezen en misschien op de flaptekst moeten kijken wat voor soort bundel het is. Misschien moet je je literatuurhistorische kennis raadplegen om iets van fiducie te hebben waar het draagverhaal van de dichter waarschijnlijk heen zal gaan. Misschien wel naar een bouwvakker en de bouwconstructies tijden het bouwen van een woontoren… Of misschien wel naar een gestorven paard…
Maar bij dit lied van Huub Oosterhuis hoef je dat niet. Er zijn nog maar drie woorden geschreven of God is er al in volle glorie. Alle drie grote toonzetters van Oosterhuis’ liederen, Bernard Huijbers, Antoine Oomen en Tom Löwenthal hebben zich over deze tekst ontfermd waarbij naar mijn smaak de mooiste versie die van Tom Löwenthal is. Nog voor er één woord heeft geklonken is de glorie al op het orgel binnen komen denderen.
*****
Het derde voorbeeld komt uit ‘Lied van alle dagen’ dat als volgt begint:
Nooit hoorden wij
anderen stemmen dan de onze.
nooit waren er handen die doen
wat handen niet kunnen,
nooit andere
goddelozer mensen dan wij.
Theoloog en Dominicusganger Gerard Swüste, die bij veel liederen van Huub Oosterhuis commentaren heeft gegeven, leest in deze regels de beklemming van een leven in geseculariseerde tijden:
Wat gebeurt nooit? Er zijn geen andere stemmen dan de onze en er zijn geen handen die doen wat handen niet kunnen. En ook wordt nooit iemand weggetild uit de tijd. Je zou kunnen zeggen: in een paar zinnen wordt de secularisatie geschilderd. We leven in één werkelijkheid die zichtbaar, hoorbaar, tastbaar is; wat gebeurt kunnen we beredeneren. Verschijningen maken we niet mee, wonderen bestaan niet. Wij dromen er soms van om de werkelijkheid te overstijgen, maar dat lukt niet. Wat dat betreft zijn we goddeloze mensen, en bestaan er ook alleen maar goddeloze mensen. Ik denk dat je dat ‘goddeloos’ niet moet verstaan in de gangbare betekenis van ‘slecht’ en ‘verdorven’ , maar heel letterlijk mensen die god niet kunnen zien, niet kunnen pakken; die het, zo op het eerste gezicht, zonder god moeten zien te stellen; er is geen god die van alles voor hen regelt.
Ondersteund door een interpretatie als deze zou je ook kunnen gezeggen dat het lied het claustrofobische Cogito van Descartes oproept, het gonzen in mijn eigen hoofd, het hier en nu in mijn denken zijn van alles wat aan de wereld ten grondslag ligt – ‘de dragende grond’, het hypokeimenon als het ’ik denk’, dat daarmee zichzelf alleen maar kan dragen zoals Baron van Münchhausen zichzelf aan zijn kraag uit een moeras tilt. Er is niets of niemand anders dat mij draagt, het is een hypokeimenon zonder alteriteit. Niet dus – als wij onszelf niet meer kunnen dragen in het Cogito, dan vallen we in niemands handen meer, dan vallen we in een afgrond zonder bodem.
Maar dan komt het tweede couplet:
Maar er was daglicht,
Alle dagen, wat ook gebeurde,
Alsof wij liepen
Over een onzichtbaar weefsel
Boven de afgrond gespannen
Dat niet scheurde.
En dan breekt toch het licht door, en dan – bij Oosterhuis weet je zeker dat het daar over gaat – is er toch een aanwezigheid, is er een god. Op dit punt wil ik mijn al genoemd esthetische fijnbesnaardheid naar boven halen en ronduit zeggen dat ik dit gedicht poëtisch gesproken beneden peil vind. Ik vind het niet mooi – ‘maar er was daglicht’, goeie genade, dan opeens gaat de zon op. Zelfs mijn rijmelende tante zou zo’n plat beeld niet uit haar pen krijgen.
Ja, dit is een voorbeeld van stanza die, als ikzelf dichter zou zijn en als ik die zelf geschreven zou hebben, onverbiddelijk geschrapt zou hebben bij een publicatie van een dichtbundel. Hij zou niet door mijn esthetische zelfcensuur zijn heengekomen en er zijn heel veel andere stanza’s van Oosterhuis waarvan ik hetzelfde zeg.
Toch, dat ‘onzichtbare weefsel, boven een afgrond gespannen’ is een heel mooi beeld. Het hypokeimenon laat zich nu in haar kwetsbaarheid zien, het is een vangnet dat zou kunnen scheuren, en daaronder bevindt zich een afgrond. In onze geseculariseerde tijd lijken die goddelijke vangnetten verdwenen, maar dan opeens is het alsof ze er toch zijn – ja, ‘alsof’, en het hier ook alsof Oosterhuis deelt in die secularisatie, wat ik denk dat hij ook doet. Het is niet een lied van een ferme gelovige, die al aan de overkant is aangekomen en de atheïsten toeroept: ‘Succes jullie!’, maar iemand voor wie het weefsel net zo onzichtbaar kan zijn als voor iedereen. Misschien zou een diepgelovige katholiek, iemand met een rotsvast geloof die zich door drie eeuwen moderniteit nog niet het veld heeft uit laten slaan, zich ergeren en zoveel fragiel godsvertrouwen dat haar oren bij de moderniteit te luister legt.
Maar in mijn eigen bundel zou ik dit gedicht schrappen, en ik zou het op een poëzie avond nooit voorlezen. Maar toch vind ik het mooi om in de kerk samen met anderen te zingen op de muziek van Antoine Oomen.
4.
Wat de pretenties van deze spin off betreft gaat het om een schets van een artikel waarvan het nog maar de vraag is of ik het ooit zal schrijven. In dat artikel zou ik dan iets ‘wetenschappelijks’ zeggen over de rol van het van ‘de dragende grond’ in de liederen van Huub Oosterhuis. Ik zou daarbij de filosofische notie hypokeimenon naar boven halen en daarvan de geschiedenis moeten bestuderen. Dat zou dan het moeilijkste, geleerdste onderdeel van mijn artikel worden, waarbij ik uiteindelijk bij Heidegger aan zal komen die er misschien als eerste echt in slaagt een stap terug te doen uit de metafysica en daardoor in staat is de wisselingen in de dragende ondergrond van de ontwikkelingen van de metafysica te doorzien en te kunnen beschrijven.
In plaats van zich te laten meeslepen door het waarheids-appèl van de grote filosofen kan hij ertoe komen de vraag te stellen op welke gevoelsmodaliteit hun zekerheden gebaseerd zijn. Het Cogito van Descartes – de gedachte dat als ik aan alles twijfel, als ik er zelfs aan twijfel dat ik denk, dat ik dan altijd nog denk – is al bij Augustinus terug te vinden, maar het is pas bij Descartes dat daarin een oergrond wordt gezocht – dat wat de hele werkelijkheid draagt. De bijbehorende gevoelsmodaliteit is die van ‘absolute zekerheid’, terwijl Augustinus in zijn gedragenheid door God veel beter opgewassen is tegen scepsis en vertwijfeling. In de moderniteit leven wij omgeven door die Cartesiaanse zekerheid, onder andere in de vorm van de ‘objectiviteit’ van de wetenschappen, waarin een immense hoeveelheid kennis vergaard is, maar waarin desalniettemin weinig ruimte is voor God.
In mijn artikel zou ik uitgebreid credits moeten geven aan Marc De Kesel die dit hypokeimenon opgepakt heeft en in diverse van zijn boeken uitvoerig bespreekt en met verve uitlegt. Daarmee zou ik deze notie terdege in haar filosofische verankering beschrijven en van daaruit dan de metaforische mogelijkheden gaan onderzoeken – van welke metaforen kan dat ‘onderliggende’ zich bedienen? En is het onderliggende’ zelf eigenlijk niet al een metafoor? Dan komen we aan bij de draagmoeders en de afgronden in berglandschappen uit. Ik zou kunnen verwijzen naar teksten waarin er een grond is die tegelijkertijd een afgrond kan zijn, zoals ik al gedaan heb in mijn hoofdstuk over Heidegger en Robert Pirsig. Heidegger zegt letterlijk dat zijn nieuwe notie van de Ereignis – gebeurtenis – een nieuwe grond kan zijn, maar ook een afgrond zal zijn zolang je nog net als Descartes, of, for that matter, net zoals Aristoteles, denkt over de werkelijkheid als een wereld waarin er subjecten zijn die objecten kennen. In Zen en de kunst van het motoronderhoud van Robert Pirsig zien we hoe iemand een nieuwe filosofie aanboort, in de afgrond van de waanzin stort, en na daar langzaam uit opgekropen te zijn, uiteindelijk het dunne weefsel van zijn gedachtegangen aan de wereld durft te presenteren.
En dan zitten we al vrij dicht bij het ‘onzichtbare weefsel, boven de afgrond gespannen’ van Huub Oosterhuis. Noch Huub Oosterhuis, noch René Descartes, noch Robert Pirsig hebben ooit dit hypokeimenon geconceptualiseerd, maar toch – dat moet ik dan in mijn geleerde artikel aantonen, is het een heel geschikt concept om de diverse teksten met elkaar te verbinden.
Vervolgens zou ik door het corpus Oosterhuis heen moeten gaan en daarin andere sporen van het hypokeimenon moeten zien te vinden. Dit lijkt me een bijzonder interessante onderneming waarbij ik op veel aangename verrassingen reken.
5.
Literatuurinterpretatie is eigenlijk mijn vak, ik ben er in opgeleid, maar ik heb er nooit mijn brood mee kunnen verdienen. In mijn studie en kort daarna heb ik veel religieuze poëzie gelezen – John Milton, Gerard Manley Hopkins, John Donne, T.S. Eliot, noem maar op. Ook bij al deze dichters, die ook geen van allen het hypokeimenon hebben geconceptualiseerd, zou ik daarnaar op zoek kunnen gaan, en dat zou ongetwijfeld interessante inzichten opleveren. Bij ieder van die dichters zou ik dan kunnen traceren in hoeverre ze hun leven en spreken van een grond vinden in God. Wellicht zou aannemelijk gemaakt kunnen worden dat de ene dichter dichter bij de mystiek van Meister Eckhart staat en een andere dichter dichter bij de mystiek van François de Fénelon, en dat zou dan met de cartesiaanse verschuiving in het hypokeimenon verband houden.
Maar het plaatsen van Huub Oosterhuis in zo’n reeks dichters zou veel moeilijker zijn om de reden dat Oosterhuis in zijn teksten niet zijn eigen gevoelens beschrijft. De teksten van Oosterhuis kun je liturgische teksten noemen, die, net zoals alle kerkliederen, niet geschreven worden om van mens tot mens te spreken maar om door een gemeente gezongen te worden. Dichters noemen hun gedichten graag ‘liederen’, maar hun producten worden toch in eerste instantie geschreven, gedrukt en gelezen. Ook als een gedicht als lied beroemd is geworden – zoals bijvoorbeeld ‘De Loreley’ van Heinrich Heine – dan is het nog altijd een gedicht dat op muziek is gezet. Maar bij Oosterhuis is het echt zo, die teksten zijn vaak doelbewust als lied geschreven.
In de beginfase van de schrijfactiviteiten van Huub Oosterhuis ging veel aandacht uit naar de tafelliederen, dat wil zeggen, de liederen waarmee gepoogd werd de vaste katholieke liturgie te vervangen. Het bovengenoemde lied ‘Gij die weet wat in mensen omgaat’ is een voorbeeld van zo’n tafellied. In de Dominicuskerk worden ze meestal ook gezongen als de tafel voor brood en wijn gereed is gemaakt. Degenen die helpen met het delen van brood en wijn komen dan naast de liturg op het podium staan en zingen het lied mee.
Ik heb zelf regelmatig op dat podium staan meezingen, en ook in de kerk zing ik met alle liederen mee – ‘Die mij droeg’ is een lied dat het met die denderende orgelklanken heel goed doet als slotlied – en daarbij is wat ik esthetisch van die liederen vind van secundair belang. Iedereen vind het ene kerklied mooier dan het andere, en er zijn ook verschillende meningen over welke versie van welke liedschrijver de mooiste is. En lied van minder allooi verstoort een kerkdienst niet per se, en als de organist een paar keer misslaat dan maakt ook niemand zich daar heel druk over.
Bij het meezingen van kerkliederen ligt wat betreft de esthetiek de tonus onder de teksten en de muziek lager. Als je per se hoogwaardige poëzie wil horen, dan moet je maar naar de boekhandel gaan en als je er se hoogwaardige muziek wil horen dan moet je maar naar een concertzaal gaan. Niet dat de schoonheid van de melodieën en teksten niet meewerken in de beleving, maar het is er niet het centrum van. Als een organist al te virtuoos speelt, zoals in de Dominicuskerk soms weleens gebeurt, dan kun je zelfs het gevoel krijgen dat de muziek niet meer dienstbaar is aan de viering. Op dezelfde manier kan een uitgekiende, doorwrochte preek ‘over de top gaan’ en heb je niet meer het gevoel dat vanuit een religieus besef wordt gesproken, maar dat een Shakespeareaanse monoloog wordt afgestoken of dat de imposante dictie van een Winston Churchill wordt geïmiteerd. Preken en zingen in de kerk is voor een belangrijk gedeelte ritueel en is daarmee iets anders dan een retorische of muzikale performance.
De liederen van Huub Oosterhuis zijn als liederen geschreven en bedoeld voor een christelijke gemeente. Het zijn herschrijvingen, hertalingen of vertolkingen van Bijbelse of liturgische teksten, met een wisselende afstand tot de onderliggende oorspronkelijke tekst. Het zijn geen aan een individuele ontsproten gedachtegang waar je meer begrip van zou kunnen krijgen door je in de biografie van de dichter te verdiepen. Heel vaak zeggen dichters dat hun leven er niet toe doet en dat het eigenlijk alleen maar om hun gedichten gaat, maar vaak zit daar een element van grootspraak in. Bij Huub Oosterhuis echter is dit wel het geval – het zijn tekstvoortzettingen met een verleden en toekomst die in het geheel niet samenvallen met het leven van de dichter zelf. In meer dan 25 jaar kerkbezoek zijn veel van deze liederen onderdeel geworden van mijn eigen leven. In heel veel gevallen is de betekenis van de tekst pas in een later stadium tot mij doorgedrongen en sommige beelden flonkeren opeens op als ze via een ander kanaal in mijn leven binnenkomen – zoals dat in deze periode gebeurt met beelden van een vangnet en een afgrond.
Omdat het geen ‘gewone’ gedichten zijn, zou een literaire tekstanalyse zoals ik tijdens mijn opleiding heb geleerd minder op plaats zijn, en moet ik er wat breder omheen schrijven om uit te leggen dat wat ik hier beschrijf iets anders is dan wanneer een literatuurvorser bijvoorbeeld een aantal nog niet eerder gedetecteerde Dante-verwijzingen in een gedicht van T.S. Eliot heeft opgespoord. Ik heb met het vinden van het ‘hypokeimenon’ bij Oosterhuis geen vondsten gedaan maar eerder iets op een paar plekken gelokaliseerd waarvan ik al van tevoren wist dat het ergens moest zijn.
Hier wilde ik het in deze spin off bij laten. De drie genoemde liederen zijn ook op Spotify te beluisteren:








